Na een paar sollicitaties komt ze terecht bij een detacheringsbureau. Er is schaarste en ze nemen iedereen aan die ook maar een klein beetje kan programmeren. Haar nieuwe chef Arnoud is een degelijke man in een overhemd met een nette trui erover. Hij troont haar mee naar een zaaltje waar alle nieuwelingen getraind worden.
‘Kijk Ruth, de komende twee weken zit je in deze klas. Ik zal je even voorstellen aan Daria, de docent.’
Ze mag haar meteen. Daria is een beetje alternatieverig en heeft interessant haar. Ze heeft een gemêleerd pakje aan met een klein beetje babyspuug op haar schouder. Ze maakt ook kennis met de andere trainees.
‘Ik ben William’, zegt een pukkelige vlassnor. ‘Wat heb jij gestudeerd?’
‘Beleidswetenschappen’, antwoordt ze.
‘Ah, interessant! Ik heb Frans gedaan, maar daar is nu geen droog brood meer in te verdienen.’
‘Ik ben Freek en ik ben bioloog!’ roept weer een ander. Het is een gespierde spijker met een smetteloos wit overhemd aan.
Daarboven draagt hij een zelfgemaakt kettinkje.
Ze gaat helemaal achterin de hoek zitten. De les begint. Daria legt alles duidelijk uit.
‘Ruth, vertel jij eens wat het verschil is tussen een relationele database en object-oriëntatie.’
‘Ja sorry hoor, dat weet ik niet, daar ben ik te dom voor’, lacht ze verontschuldigend. ‘Object-oriëntatie is dat alle logica opgesloten zit in kleine objectjes. En die erven dan weer eigenschappen van elkaar. En praten met elkaar, via methodes.’
‘Nou zeg, je weet het gewoon’, zegt Daria geërgerd. ‘Waarom haal je jezelf dan zo naar beneden?’
Zo bedoel ik het toch helemaal niet, denkt Ruth verontwaardigd.
Op de middelbare school heb ik geleerd om deemoedig te praten, anders vonden ze me te wijsneuzig. Daria moet vroeger toch ook een gisse meid geweest zijn. Waarom prikt ze daar dan niet doorheen? Kennelijk is ze toch niet zo slim als ik dacht.

Als ze voor zichzelf oefeningen moeten maken zet William de radio aan.
Na het een tijdje aangehoord te hebben vraagt ze: ‘Mag de muziek iets zachter? Zo kan ik me niet concentreren.’
‘Is anders wel een lekker nummer hoor’, zegt Freek. ‘LL Cool J. Phenomenon. Heb je die clip al eens gezien die erbij hoort? Geweldig! Met allemaal spuitende champagneflessen, kersen die in monden worden gestopt… Je snapt wel wat dat betekent, hè?’
‘Weet ik toch’, zegt ze. ‘Zo onschuldig ben ik niet, hoor.’
Na twee uur intensief oefenen worden ze onderbroken.
‘Jongens, taart!’ roept Arnoud, terwijl hij zijn hoofd om de hoek van het zaaltje steekt.
Ze loopt de pantry in en ziet dat er inderdaad flink wat dozen op het aanrecht staan.
Verschillende collega’s staan al te smikkelen.
Jottem! Bof ik even, om zo met mijn neus in de boter te vallen, al op mijn eerste werkdag.
Ze schuift meteen een groot stuk naar binnen.
‘Waar is het voor?’ vraagt ze met volle mond.
‘Oh, dat is van Peter. Hij had een klant meegenomen naar de Wallen. Die man was zo dankbaar dat hij hier taart heeft laten bezorgen.’
Ze slikt met enige aarzeling de laatste hap weg. Het smaakt haar ineens een stuk minder lekker.
Kersenvlaai.
Ook dat nog.


Kop thee


Brugklas. Thuis op de bank. Kop thee.
‘Ik hoef geen seks meer te hebben met je vader’, vertelt haar moeder haar triomfantelijk. ‘Hij dreigde altijd om driftig te worden naar jou als ik niet wou, maar ik heb nu gezegd dat ik het gewoon niet meer doe. Zo’n kerel die zuchtend bovenop je gaat liggen met zijn volle gewicht, bah, vreselijk.’
Sinds kort geeft haar moeder haar vader ook geen kus meer als hij thuiskomt van zijn werk. Het was de enige aanraking die ze nog weleens tussen hen zag.
‘Waarom ga je niet van hem af?’ vraagt Ruth. ‘Tante Heleen is toch ook gescheiden?’
‘Dat doe je niet zomaar even’, zegt haar moeder. ‘Een huwelijk is voor het leven hè, in voor- en tegenspoed. Oom Thomas was schizofreen, dat is wat anders. De huisarts zei dat ik gewoon maar meer leuke dingen voor mezelf moest gaan doen.’
‘Doe het alsjeblieft’, vraagt Ruth.
‘Nee, ik wil dat voor jou ook niet. Stel je voor hoe we dan zouden moeten leven. We hebben nu een mooi groot huis. Tante Heleen zit op een flatje.’
Haar moeder begint verbeten een liedje te zingen om zich vrolijker te voelen. Ze draagt haar lot. Zo heeft ze het altijd gedaan.

Als de thee op is vertrekt Ruth naar haar slaapkamer. In een van haar boeken heeft ze een lijst verstopt, waar ze af en toe aan werkt. De lijst heet: Ik loop weg van huis en ik neem mee…
Haar foto-albums staan erop, haar koraalrode shirt en haar cassettebandjes. Het liefst zou ze haar hond ook meenemen, maar dat kan nou eenmaal niet.
Ze is niet van plan om echt weg te lopen, maar het werken aan de lijst maakt haar rustig. Ze weet dat er instellingen bestaan waar ze heen kan gaan. Een jongen op school woont al niet meer thuis. Maar wat moet ze dan zeggen tegen die mensen? Ze kent de woorden niet.

‘Ik ga naar de stad. Wil je mee?’ roept haar vader van beneden.
Dat wil ze wel. Ze loopt de trap af.
Haar vader gluurt van achter de gordijnen naar een klasgenootje dat achter hen woont.
‘Zo’, grijnst hij, ‘die is al flink voor haar leeftijd. En jij bent ook alweer gegroeid.’
Hij neemt haar van top tot teen keurend op.
‘Niet zo kijken’, zegt ze.
‘Nou zeg, jij bent ook een kruidje-roer-me-niet’, lacht haar vader.
Samen gaan ze naar Arnhem toe. Haar moeder blijft thuis.
‘Zie je over twee uur bij de auto’, zegt hij als ze er zijn. ‘Ik ga naar de garage.’
Ze slentert alleen door de stad. Gaat oorbellen kijken bij Déja Vu en koopt er zwarte nagellak. Bij de V&D haalt ze nog een Muziek Expres en wat cassettebandjes.
Na twee uur loopt ze terug naar de auto. Samen met haar vader rijdt ze zwijgend weer naar Doesburg.
De tripjes doen hem kennelijk goed. Hij is daarna vaak even niet meer zo driftig.
Twaalf jaar. Nog zes jaar wachten, dan kan ze op kamers.

Kop thee


Na haar inleerperiode krijgt Ruth haar eerste opdracht. Ze mag programma’s schrijven voor een grote supermarkt. Ze zit op een grote zaal met allemaal ervaren ontwikkelaars. Ze werkt nu al een tijd aan een invoerscherm en ze krijgt de back-toets maar niet werkend. Daarom vraagt ze William, die naast haar zit, om haar te helpen.
‘Kijk, als ik hem hier neerzet gaat-ie dubbel…’
Ze maakt haar zin niet af. In plaats daarvan doet ze een fade-out en eindigt in zacht gemompel.
‘Ik snap niks van wat je zegt’, moppert William.
Hij ramt op een paar knoppen. Er gebeurt niet wat hij wil.
‘Hee Erik, kijk eens effe mee?’ vraagt hij.
In luttele tellen staat een hele roedel jongens achter haar en William. Freek ontpopt zich tot hun leider.
‘Probeer die knop eens’, gebiedt hij.
William drukt erop, de anderen kijken toe. Na nog een paar pogingen vinden ze de oplossing.
Hee, denkt Ruth, dat ging veel sneller dan hoe ik het deed. Ik heb eerst de manual van kaft tot kaft doorgelezen, maar die jongens keken dat ding niet eens in.
Later die dag is ze aan het testen. Ze loopt alle test cases systematisch één voor één door tot ze een nieuwe fout gevonden heeft. Bij elke volgende testronde test ze alles opnieuw.
‘Freek, wil je even met me meekijken alsjeblieft?’
Enthousiast komt hij vlak naast haar zitten. Automatisch schuift ze een stukje van hem af.
‘O, sorry!’ mompelt hij geschrokken.
‘Nee, hoeft niet’, haast ze zich te zeggen, terwijl ze snel weer iets dichter bij hem gaat zitten.
‘Kruidje-roer-me-niet’, lacht hij ongemakkelijk.
‘Ik gleed van mijn stoel’, mompelt ze.
Freek gaat testen, op zijn manier. Hij navigeert ogenschijnlijk lukraak door enkele schermen heen en ontdekt nog een paar grote fouten. Hij vindt het zichtbaar leuk, het lijkt wel alsof hij een spelletje aan het spelen is. Hij heeft een speurende blik, als een hond die op zoek is naar een stuk vlees.
Nadat ze een tijdje heeft meegekeken grist ze opeens het toetsenbord uit zijn handen en begint verwoed te tikken.
‘Hee!’ protesteert Freek verontwaardigd.
‘Wacht effe’, zegt ze.
Na een tijdje laat ze Freek zien wat ze heeft ontdekt.
‘Kijk, er zit nog een fundamentele denkfout in het programma’, legt ze uit. ‘Veel van de door jou gevonden fouten vloeien daaruit voort.’
‘O, ik zie het’, zucht Freek. ‘Ja, goed gevonden. Maar dat was wel onbeschoft. Had je niet even kunnen uitleggen wat je aan het doen was!’
‘Sorry’, zegt ze, ‘maar dat kon ik niet, ik moest het laten zien.’
‘Okee, is al goed’, zegt Freek. ‘We hebben in elk geval een duidelijk resultaat. Het heeft nu geen zin om nog verder te testen. Je moet het programma nu teruggeven aan de developer. Die moet eerst deze grote fouten eruit halen. Dan pas ga je verder testen om ook de kleinere fouten eruit te halen.’
Logisch, om het zo aan te pakken. Ik heb eerder heel veel tijd verspild. Ik heb uren stom werk zitten doen. Had ik mijn opdracht wat lichter opgenomen en mijn gut feeling wat meer gebruikt, dan had ik nu al veel meer fouten gevonden.
Soms kun je taken beter spelenderwijs afwerken.
Leuker en ook effectiever.

Kop thee


Na een tijdje mag ze ook buiten de deur werken. Met haar nieuwe leasebak rijdt ze naar haar klanten, die overal in het land zitten. Het is voor haar altijd weer een heel gedoe om niet te verdwalen onderweg.
Vaak zit ze alleen op een klus. Ze maakt lange dagen, moet onder de ogen van haar klanten snel haar analyses maken en problemen tackelen. Ze let goed op dat ze geen vlekken op haar kleren heeft en dat ze al haar mitsen en maren niet uitspreekt. Ze moet zelfverzekerd overkomen. Klanten willen alleen maar horen dat het goed voor elkaar komt. Aan het eind van weer zo’n vermoeiende werkdag gooit ze opgelucht haar hakken en strakke pak van zich af en springt meteen onder de douche.
Haar chef Arnoud vertelt haar op een dag glunderend dat ze binnenkort een grote presentatie mag geven aan de directie van de bank waar ze nu een klus heeft. Ze ziet er als een berg tegenop. Ze merkt dat haar hart in haar keel klopt als ze er alleen al aan dénkt.

Elke maand is er een meeting op kantoor. Ze krijgen dan een opzwepende toespraak van de CEO. Alle in- en externe collega’s kunnen die avond weer eens bijpraten met elkaar. Ze is gehaast vertrokken van de klant van die dag en is net op tijd binnen. In een hoekje van de vergaderzaal ziet ze collega Pim. Hij zit een beetje ineengedoken en staart voor zich uit. Zijn haar zit warrig. Zijn broekspijpen zijn te lang. Een grote teennagel boort zich een weg omhoog door het zachte suède van zijn rechterschoen. ‘Hee, hoe gaat-ie?’ vraagt ze als ze naast hem gaat zitten. Pim stoot wat klanken uit maar blijft voor zich uit staren. Collega’s gaan met vragen altijd naar hem. Hij is tenminste een echte techneut. Zelf wil ze graag wel wat leren over state machines. Als ze het er met Pim over heeft, merkt ze tot haar verbazing dat ze er zelf al veel meer vanaf weet dan hij. Toch hangt ze aan zijn lippen en is ze gefascineerd door zijn glazige blik en morsige uitstraling.
Hij heeft het goed voor elkaar, die jongen. Hij wordt niet naar klanten gestuurd, maar mag ze alleen telefonisch te woord staan. Hij zit op een vaste locatie dicht bij huis, kan om vijf uur weggaan en hoeft niet mee te doen aan smalltalk over sport en hypotheken.

Het volgende vlekje dat ze op haar lease-auto vindt, poetst ze niet meteen weg. Het bezoekje aan de kapper stelt ze twee weken uit.

Het einde van het jaar nadert. Het is tijd voor de kerstborrel. Ze trekt voor de gelegenheid een hoodie aan. Met een vlek. En wat slijtplekken. Freek ziet haar staan en loopt op haar af.
‘Alles goed met jou?’ vraagt hij met enige bezorgdheid.
‘Ja hoor’, doet ze nonchalant.
Ze grist drie canapés van een langskomend dienblad en schrokt ze gretig naar binnen. Met grote bonkige stappen loopt ze op een groepje nerds af. Pim staat er ook bij. Ze hebben het over de Big Bang Theory. Ze lacht haar tanden bloot. Enkele etensresten worden zichtbaar.
Haar chef Arnoud komt naast haar staan en klopt haar op de schouder.
‘Heb een mooi project voor je voor volgend jaar. Bij een bank, een klus voor langere tijd. Is wel in de back office.’
Met volle mond, kruimels in zijn richting sproeiend, zegt ze: ‘OK, sure. I’ll take one for the team.’
Stiekem doet ze een heel klein dansje.

Kop thee


Veertien jaar.
Haar vriendinnetje Anita wordt de laatste tijd steeds opstandiger. Langzaam wordt haar stille woede erger en maakt ze ook vaker ruzie met Ruth. Nadat ze elkaar een tijdje niet gezien hebben komt ze onverwacht weer eens langs.
‘Zag je die stomme troela’s’, smaalt ze. ‘Met hun lippenstift en hun nagellak. Wat een jongensgekken.’
‘Doe toch eens niet zo negatief de hele tijd!’ roept Ruth gefrustreerd uit. ‘Wat is er toch met je?’
Dan komt het hoge woord eruit.
‘Mijn broer heeft dingen bij mij gedaan’, vertelt Anita. ‘Zweer dat je dat aan niemand doorvertelt!’
‘Ik beloof het’, zegt Ruth plechtig.
Ze weet niet wat ze moet doen. Onhandig geeft ze een paar klopjes op Anita’s rug. Aangeslagen breken ze op.
Zodra Anita weg is gaat haar moeder naast haar zitten.
Die voelt dat er wat is.
‘Wat had ze?’ vraagt ze nieuwsgierig.
‘Mag ik niet zeggen’, zegt Ruth afwerend.
‘Aan mij toch wel. Als je mij al niet kunt vertrouwen’, zegt haar moeder dwingend.
Ruth zwijgt.
‘Ik ga het echt niet aan iemand doorvertellen hoor’, dringt haar moeder aan.
‘Anita’s broer heeft aan haar gezeten’, vertelt ze tenslotte.
Haar moeder schrikt.
De volgende keer dat Anita weer komt, zet haar moeder een grote kop thee met drie stroopwafels voor haar neer.
‘Hier, voor jou. Jij hebt het ook niet makkelijk’, zegt ze.
Ruth schaamt zich kapot.
Anita komt niet meer.

Kop thee


‘We gaan paintballen’, meldt Erik opgewekt. ‘Daarna is er barbecue.’
Hij zit in de evenementencommissie en weet dus al wat het programma zal worden van het jaarlijkse bedrijfsuitje.
Ruth schuift gedachteloos een kaassoufflé naar binnen terwijl ze naar hem luistert.
‘Goh, heeft zeker veel tijd gekost, om dat allemaal te organiseren? Goed man’, zegt ze.
Intussen denkt ze: O nee! Fysieke inspanning! Bergen vlees!
Daria, die aan een belendend kantinetafeltje zit, vangt het gesprek op en zegt wél wat ze denkt.
‘Hebben jullie wel aan de vega’s gedacht?’ vraagt ze. ‘Want vorig jaar ging ik met honger naar huis.’
Daria neemt altijd haar eigen bento box mee naar het werk, omdat ze het eten uit de kantine maar niks vindt.
‘Linksdraaiende zure tang, die heeft ook altijd wat’, moppert Erik binnensmonds.
Ruth zwijgt en glimlacht wat onduidelijk naar zowel Daria als Erik.

Het uitje blijkt ontzettend leuk te zijn.
Ze rijdt een paar keer mis, maar komt toch op tijd aan op de paintball-locatie. Als alle collega’s en hun partners er zijn beginnen ze. Ze tijgert door het bos, beschiet een paar mensen en wordt uiteindelijk zelf ook neergeschoten. Nadat ze is overleden gaat ze aan de kant staan en kletst ze wat met de andere doden.
De meeste collega’s kent ze niet. Ze zitten op andere projecten. Eén vage gast lacht om alles en heeft veel slappe verhalen. Ze lacht met hem mee. Een vrouw kijkt haar daarna misprijzend aan.
Wat is dat nou, heb ik soms wat verkeerd gedaan?
Ze besluit zich er maar niet druk over te maken. Ze moet zo weer naar een andere locatie rijden en daar heeft ze al haar denkkracht voor nodig.
In karavaan rijden ze allemaal naar de plek waar de barbecue plaatsvindt.
Als ze in de rij voor het vlees staat, wordt ze door Erik op haar schouder gemept.
‘Haha, je sorteerde net verkeerd voor, ik zag het wel’, smaalt hij.
Ruth maakt wegwuivende gebaren. Wat boeit dat nou! Ze vindt het niet de moeite om hem van repliek te dienen.
Daria loopt langs. Ze passeert de rij en stevent doelgericht af op de salades.
‘Corporale clit’, mompelt Erik.
‘Wat was dat?’ Daria stuift op en gaat verontwaardigd voor hem staan.
‘O, ik zei net een lelijk woord, maar dat ging niet over jou hoor. Ik had het over m’n ex’, zegt Erik pesterig.
‘Effe dimmen nou, Erik’, zegt Ruth.
Verbaasd kijkt hij op.
‘Ja, doe maar niet zo onnozel, je weet best waar je mee bezig bent’, zegt ze.
‘Die lange kan ook praten. Werd een keer tijd’, mompelt hij en loopt snel weg.
Ruth laadt haar bord vol en strijkt neer bij een relaxt groepje collega’s en hun partners. Alle mannen zijn IT-er en alle vrouwen verpleegkundige.
‘De ideale combinatie’, lacht een van de mannen.
Het zijn aardige mensen en ze vermaakt zich opperbest.
Een collega vertelt vol trots over zijn zoontje.
Shit, waarom kan ik die naam van dat kind nou niet onthouden, denkt ze verbeten. Het hoeveelste kind was dat nu? Wat had hij al, en van welke soort? Ik heb gewoon een zwart gat in mijn geheugen voor alles wat met kinderen te maken heeft. Zal wel met mijn eigen rotjeugd te maken hebben, daar ben ik ook het meeste van vergeten.
Eén vrouw vertelt dat ze minder wil gaan werken nu ze zwanger is. ‘Dat ligt voor de hand, want ik verdien het minste’, zegt ze.
‘Logisch’, knikt een ander.
Ze accepteren het gewoon, dat verpleegkundigen zoveel minder verdienen dan IT-ers. Ze zijn niet eens kwaad, lijkt het wel. Moet ik hen niet opruien? Stemming maken? Maar dat heeft geen zin, want de wereld zit nu eenmaal zo in elkaar. Ik zeg maar niks. Het is gezellig nu. We hebben barbecue.
Die vage collega van net er komt er nu ook weer aan. Hij wil zich bij hun groepje voegen. De vrouw die haar net zo misprijzend bekeek, haast zich om hem bij te houden. Ze werpt Ruth nog een laatste vuile blik toe en trekt de man dan mee naar een ander groepje.
Daria loopt langs met een grote bak sla. Ze krijgt nog net mee wat er gebeurt en glimlacht hoofdschuddend. Ze vlijt zich neer naast Ruth, die haar vragend aankijkt.
‘Die gaat vreemd bij de vleet’, zegt Daria. ‘Heeft meestal meerdere projectjes tegelijk lopen.’
‘Dat verklaart een hoop’, zucht Ruth. ‘Ik denk altijd meteen dat het aan mij ligt.’
‘Been there’, zegt Daria. ‘Proost, meid.’
‘Proost’, glimlacht Ruth.

Kop thee


Ruth drukt de wekker uit. Geen zin om op te staan. Het moet toch. Ze springt onder de douche, doet haar kleren aan en daaroverheen haar regenpak. Ze sjort haar rugtas om en klemt een brief die ze nog moet posten tussen haar tanden. Haar halletje wordt opgeknapt. Ze heeft het aanbod van een wisselwoning achteloos afgeslagen. Omdat ze nu eventjes geen trap heeft, gebruikt ze gewoon een keukenladder om op de begane grond te komen.
Voorzichtig draait ze zich om en laat ze zich in het trapgat zakken. Ze verkent met haar benen de afstand naar beneden en maakt dan een klein sprongetje naar de ladder.
Ik kan het net mooi halen zo, constateert ze tevreden.
Ze loopt verder naar beneden, schuift daar gehaast een boterham naar binnen en zet een pak melk aan haar mond. Ze wringt zich door de gang heen, die door alle verbouwingsspullen die er staan nog smaller voelt dan-ie al is. Vlak voor ze naar buiten gaat trekt ze haar regenpak weer uit. Voorzichtig, zodat het verbouwingsstof op de buitenkant ervan niet alsnog op haar kleren komt.
Nog even checken of het zo kan. Oef, mijn schoenen zijn helemaal wit van het stof!
Ze klopt het van zich af. Nu is ze klaar voor de buitenwereld. Ze opent haar voordeur.
Iemand heeft met zijn vinger ‘Was mij!’ op haar auto geschreven. Ze poetst het min of meer weg met haar hand en rijdt naar haar werk.
Gelukkig was ze zo verstandig om een zwarte auto te nemen.

Ze zet haar auto in de parkeergarage en klost het kantoor in. Arnoud begroet haar met een kort knikje.
‘Je gaat de komende tijd bij buitenlands betalingsverkeer werken’, zegt hij.
De andere developers zijn voortdurend aan het lobbyen om op een interessant project terecht te komen. Doordat zij dat niet doet, komt ze hier terecht. Hoe saai ze het onderwerp ook vindt, ze stort ze zich op de bankencursus die haar wordt aangeboden en vreet ze zich in in de materie.
Erik, de senior die haar moet begeleiden, is een stugge jongen die nogal vastzit in zijn lichaam. Stijf. Ruitjesbloes, semi-nette broek, het uniform van de software developer. Hij is niet heel communicatief en helpt haar ook niet echt. Ze komt er al snel achter dat hij interessante klussen graag voor zichzelf houdt en haar alleen schermpjes laat bouwen.
Erik werpt één kluifje haar kant op waar ze wél blij mee is: het maken van SWIFT-berichten. Dat is een communicatiemethode die banken onderling gebruiken. Al snel bouwt ze steeds meer deskundigheid op tot ze er alles van weet.

Ook al is dit een interne klus, toch zijn er af en toe ook tripjes naar de klant. Meestal gaat Erik daar alleen naar toe, maar nu mag zij ook een keer mee. Het is haar eerste business-trip, ze gaan naar Brussel. De reis is dolgezellig. Erik laat zonder enig overleg EDM door de lease-auto schallen. Ze zoekt een andere zender op en zet de radio meteen wat zachter. Erik fronst even maar accepteert de verandering. De reistijd brengen ze grotendeels zwijgend door.
Ze heeft haar mooiste pak aangetrokken voor dit uitstapje. Was niet nodig geweest. De bank, althans het backoffice-gedeelte waar de IT-ers huizen, blijkt een bastion van middelbare mannen met overhangende buiken en versleten spijkerbroeken. Het gebouw zelf is al even lelijk. Het kantoormeubilair is beige met bruin. Er zitten vlekken op het tapijt en de muren bladderen.
In een aparte kamer zit een sippe hangsnor stilletjes te werken. ‘Dat is Dieter’, vertelt Erik. ‘Die zit in een gouden kooi. Hij kan een kunstje dat niemand anders kan. Hij houdt die kennis lekker voor zichzelf en daardoor is hij onmisbaar. Hij heeft salarisverhoging bedongen, maar mag nu alleen nog dat ene trucje doen. Ze vertrouwen hem niet meer. Als het nieuwe systeem er is, vliegt hij er als eerste uit.’
Erik krijgt uitgelegd wat er gebeuren moet vandaag. Hij vertelt haar niets.
Lekker is dat. Mijn aanwezigheid hier kost hartstikke veel geld, maar zonder instructies kan ik niks uitrichten.
Ze weet de blikken van de klant op zich gericht en houdt zich werkende. Haar maag knort en ze merkt dat het al na lunchtijd is.
Erik loopt binnen met drie broodjes. Hij blijkt even naar het hotel te zijn gereden om daar wat eten te gaan halen. Hij heeft haar niet meegevraagd en ook niets voor haar meegenomen. Ze heeft haar auto niet hier en kent ook de weg niet. Uit arren moede plundert ze dan maar de snoepautomaat.
De volgende keer dat ze gevraagd wordt om met Erik naar de klant te gaan, weet ze zich eruit te draaien.
Dit nooit meer.

Ze blijft stug doorwerken in de luwte. Op een avond zit ze nog laat in haar eentje te werken als Arnoud komt binnenstuiven. Er zijn problemen met de SWIFT-berichten.
Dat is míjn specialiteit!
‘Ik kan het oplossen’, roept ze enthousiast.
‘Niet nodig’, wuift Arnoud haar weg. ‘Ik vraag het Erik wel. Die kan ik altijd bellen.’

Gefrustreerd rijdt ze naar huis. Ze rukt de koelkastdeur open, pakt lukraak een kant-en-klaarmaaltijd van het stapeltje en schuift hem de magnetron in. Dan banjert ze de woonkamer in. Wanneer ze de deur openzwaait rollen tumbleweeds van stof door de kamer heen.
Eerst mijn lenzen maar uitdoen. Ik heb nu even geen zin om dit te zien. Even unwinden.
Met wazige blik eet ze haar magnetronmaaltijdje terwijl ze het journaal aanhoort. Ze opent haar mailbox en leest dat Erik database administrator gaat worden. Ze verstijft.
Verdomme! Waarom doet Arnoud dit met een mail? En waarom vlak voor het weekend? Ik heb hem verdorie net nog gesproken. Ik had deze functie gewild, en dat wist hij.
Ze gooit haar laptop van zich af.
Mij heeft-ie er niet mee, besluit ze trots. Ik kan gewoon mijn eigen keuzes maken.

De volgende dag mailt Erik: Ik baal ervan dat Arnoud me steeds buiten werktijd blijft opbellen. Hij had het jou gisteravond meteen moeten laten oplossen, want jij hebt veel meer verstand van SWIFT-berichten dan ik. Je bent er een kei in!
Dank je! mailt ze verrast terug.

Ze pakt haar agenda. Op één pagina houdt ze de voors en tegens van haar baan bij.
De chef die haar niet serieus neemt is een streep bij de tegens. De botte collega die toch ineens onverwacht aardig kan zijn: nou vooruit dan, een kwart streepje bij de voors.

Kop thee


Bijna achttien.
Het is zover. Ze gaat uit huis. Haar vader en moeder helpen haar de weinige spulletjes die ze bezit over te huizen.
Het hele volgende jaar straalt ze alleen maar. Iedereen ziet het, iedereen zegt het.
Vrijheid, zoete vrijheid.
Dit kan dus gewoon. Je kan de ellende achter je laten en dan is ineens alles goed. Je loopt simpelweg de deur uit. De eerste paar weken is het wel survivallen. Ze heeft nooit iets geleerd over het huishouden en behelpt zich met pakken vla. Haar huisgenoot Ineke kijkt het een tijdje aan en leert haar dan koken. Ze vertelt graag hoe het allemaal moet.
‘Aardappelen moeten twintig minuten en sperzieboontjes ook. Kijk, zo giet je een pan af, dan komt de stoom niet over je handen’, legt ze uit.
Ruth voelt zich heel onnozel.
‘Vanavond eten we samen’, besluit Ineke.
Ze koken hutspot.
‘Ziet er gezellig uit, hoe je dat doet’, zegt ze, terwijl ze toekijkt hoe Ineke het eten op de borden schept.
‘Hoe bedoel je? Wat doe ik dan?’
‘Nou, je schept het eten op en dan ga je nog wat na-patten met je opscheplepel. Gezellig.’
‘Hoe deden jullie dat vroeger thuis dan?’
‘Nou ja, gewoon vlop, het eten op het bord, en klaar. Die beweginkjes die jij daarna doet, die deden wij niet. Ik ken ze wel, ik heb ze bij anderen gezien. Maar wij deden dat niet.’
‘Pffft’, doet Ineke verbaasd. ‘Je bent wel een aparte hoor.’
‘Yup’, beaamt ze.

Kop thee


Maandagochtend.
Ruth ziet Daria in het kantoortje van Arnoud zitten en besluit dat dit het ideale moment is om haar bom te droppen. Zonder te vragen of het uitkomt beent ze de kamer in en onderbreekt hun gesprek.
‘Ik denk erover na om te vertrekken’, zegt ze. ‘Waarom mag ik geen database administrator worden? Ik ben productief, maak weinig fouten en de klant is tevreden over me. Ik werk heel veel over en ik heb ook nog een paar cursussen gedaan in mijn eigen tijd. Maar het lijkt wel of ik onzichtbaar ben. Of denk je soms dat ik broeds ben, nou echt niet.’
Arnoud rolt met zijn ogen naar Daria. Die kijkt op haar beurt teleurgesteld naar haar.
‘Het klinkt alsof je mentaal al afscheid hebt genomen’, zegt Arnoud.
‘Ik ben al aan het rondkijken’, geeft Ruth toe.
‘We hebben jou niet overwogen voor die functie’, zegt Arnoud.
‘Ik heb niet het gevoel dat ik hier serieus word genomen’, monkelt ze. ‘Alle routineklusjes worden naar mij geschoven en iedereen loopt alsmaar naar Erik als ze vragen hebben.’
‘Denk er nog eens rustig over na’, pleit Daria bezorgd.
‘Ja, doe ik’, zegt ze nonchalant.
Ze sloft naar haar werkplek.
Freek en William hebben het hele gebeuren van een afstandje aanschouwd en kijken haar nu vragend aan.
‘Ik wil weg hier’, zegt ze. ‘Ik heb het net tegen Arnoud gezegd. Ik heb me ingehouden, ik heb niet eens het s-woord gezegd. Ik loop hier simpelweg de deur uit, hoor. Dat kan ik gewoon doen.’
‘S-woord?’ vraagt Freek.
‘Sexisme’, zegt ze.
‘Ik denk dat je wel erg rigoureus doet nu’, zegt Freek. ‘Arnoud ziet je niet staan, maar investeer nou gewoon wat tijd in hem. Vertrouw erop dat het contact beter gaat worden.’
‘Hij is zoals-ie is’, zegt ze. ‘Dat heeft geen geen zin, hij verandert toch niet.’
‘Heb je al wat nieuws dan?’ vraagt William.
‘Neuh’, schokschoudert ze.
‘Ik vind het niet slim wat je doet’, zegt Freek. ‘Je bekijkt alles zo zwart-wit. Je moet niet denken dat andere bedrijven beter zijn. Jij bent zeker zo iemand die een paar jaar hier en dan een paar jaar daar werkt.’
‘Wat een rotopmerking’, zegt ze geraakt.
‘Op een gegeven moment is er geen houden meer aan’, zegt William beslist. ‘Dan gaat alles glijden. Het beste is om die periode maar zo kort mogelijk te houden.’

Kop thee


Nadat ze ontslag heeft genomen maakt ze haar laatste vakantiedagen op, behalve één. Op de vrijdag voor Kerst komt ze nog even terug.
De kerstboom staat, ziet ze als ze binnenloopt. Iemand is helemaal losgegaan met sneeuwspray en in de gang staat een stapel grote pakketten klaar. Gezellig.
‘Freek’, vraagt ze, ‘zullen we weer vriendjes zijn? Ik vind het niet leuk anders.’
‘Ik vond het gewoon erg dat je weggaat’, mompelt hij.
‘Is al goed.’
Ze opent haar mailbox voor de laatste keer en ziet dat de klant haar een mooi compliment heeft gegeven. Op de valreep. Met haar chef erbij in cc.
Komt de waardering niet van binnenuit, dan wel van buitenaf, denkt ze trots. Het is gezien, wat ik heb neergezet. Ook zonder spelletjes te spelen kun je er dus komen.
Vandaag neemt iedereen de tijd om uitgebreid met elkaar te kletsen. Van werken komt niet veel.
’s Middags levert ze haar laptop, telefoon en auto in. Het zit erop.
Rond vieren begint de kerstborrel. De kantine puilt uit. Iedereen krijgt een decadent kerstpakket en daarnaast nog een mooie encyclopedie en een kistje met verschillende wijnen. Het kan allemaal niet op. Tsja, detachering.
‘Hee Ruth’, mept Erik haar op de schouder. ‘Gefeliciteerd! Je hebt een compliment van de klant gekregen, hoorde ik!’
Aardig. Dat hoeft hij niet te doen. Zo’n bullebak is het toch ook weer niet.
Ze wandelt met haar berg spullen naar het treinstation. Een warme gloed trekt door haar heen.
Dit was een mooi afscheid. Ik ben goed weggegaan.