Op 2 januari meldt Ruth zich aan de balie van Winning. Haar nieuwe chef Aart komt druk bellend aangelopen.
‘Hai Ruth, volg mij maar’, gebiedt hij.
Het is een soort van Arnoud, maar dan net wat korzeliger.
Ze komen in een mooie zonnige kamer. Zes ruitjesoverhemden kijken op.
‘Hier kom jij te zitten’, wijst Aart. ‘Maar niet lang, want over een maand verhuizen we. Jochem gaat je inwerken. Tot later!’
Hij loopt de deur uit, terwijl zijn telefoon alweer rinkelt.
Ruth maakt kennis met haar nieuwe collega’s. Ze lacht breed, maar haar ogen lachen niet mee. Oplettend kijkt ze om zich heen. Het zijn allemaal Brabanders en ze hebben allemaal rissen kinderen. Het is onmogelijk om ze uit elkaar te houden.
‘Ik zal je eerst even rondleiden’, zegt Jochem.
Ze lopen een kruip-door-sluip-door-route met overgangen van tapijt naar harde vloer en weer terug.
‘Nu loop je van 170 naar 172’, vertelt Jochem. ‘Dit pand hebben we als laatste gekocht en erbij getrokken. Over een jaar ziet het er hier helemaal anders uit.’
Hij neemt haar mee voor een voorstelrondje langs de afdelingen waar ze zometeen het meeste mee te maken zal krijgen. Ze doet haar best zich meteen alle namen goed in te prenten door ze te herhalen en ezelsbruggetjes te verzinnen.
Ze voelt zich erg groot naast de kleine Jochem. Al heeft ze de neiging gebogen te gaan lopen, ze doet het niet. Ze houdt haar rug recht.
‘Hai, Oscar’, zegt het hoofd van de afdeling Systeembeheer, die hier Hardware Management heet.
Deze Oscar is de dubbelganger van Janno die dezelfde functie had bij haar vorige bedrijf. Een andere nieuwe collega van Hardware Management heet Iwan en lijkt op Peter, een systeembeheerder van drie banen geleden. Hier is ook een Peter. Die ziet er dan weer uit als de Oscar uit haar vorige baan. De afdeling bestaat verder nog uit Diederik en Peertje. Die lijken alleen maar op elkáár.
Ze lopen verder langs Health Care, Retail en Wholesale. Aan het eind van het rondje wordt Jochem door zijn chef Erwin aangeklampt.
‘Ga jij maar vast terug’, wuift hij.
Ruth komt een eind, maar loopt halverwege toch verloren. Ze kan de trap naar boven niet meer vinden. Enkele collega’s van Warehouse Management, een afdeling die is overgeslagen bij het voorstelrondje wegens niet belangrijk genoeg, wijzen haar de weg. Na nog een paar keer mislopen belandt ze uiteindelijk weer op haar plek.
Jochem helpt haar met haar nieuwe computer en wijst waar alles staat. Ze lopen samen naar de pantry.
‘Even een bakkie doen. We halen hier trouwens alleen voor onszelf.’
‘Helemaal goed’, knikt ze.
Gelukkig. Ik begon al een behoorlijk droge bek te krijgen. Maar mooi niet dat ik vandaag als eerste drinken ging halen. Voor je het weet ben je de koffiejuffrouw.
Ze lopen terug naar hun kamer en ze neemt een grote slok van de hete koffie. Ruth opent een document uit haar vorige baan met daarin de key users, wachtwoorden, belangrijke documenten en de openingstijden van de kantine. Ze werkt het bij met alle nieuwe informatie en voelt weer een klein beetje vaste grond onder haar voeten. Dit document is haar houvast.
Pff, wat is dit intensief. Weer nieuwe namen, weer nieuwe plekken. Al die mensen die gewoon jaren dezelfde baan mogen houden hebben geen idee. Maar ik ben er weer klaar voor.
Bring it on, baby, bring it on.

Jochem geeft haar vriendelijk en geduldig een korte introductie in de wereld van SAP.
‘Ik weet dat het bedrijfssoftware is, maar waar staat de afkorting SAP eigenlijk voor?’
‘Systemen, Applicaties en Producten’, legt hij uit. ‘Je kunt met SAP alles. Boekhouden, je voorraden en klantgegevens bijhouden, je orderadministratie voeren. En als je zelf goederen produceert, dan kun je dat ook automatiseren met SAP. Alle informatie staat in één systeem, waardoor je gemakkelijk verbanden legt en inzicht in je processen krijgt. Zo kun je steeds efficiënter worden.
Om SAP te snappen is het handig om eerst de database te leren kennen. Kijk, in tabel KNA1 staan alle klanten. KUNNR is het klantnummer. Die veldnaam stamt nog uit de tijd dat je maar een beperkt aantal posities had, en je kunt er ook aan zien dat SAP in Duitsland gebouwd is. Kundennummer, zie je? LIFNR is het Lieferantennummer, leveranciersnummer dus. LOEVM, Löschvermerk, is het delete-vlaggetje. Löschen betekent verwijderen.’
Jochem schreeuwt alle Duitse woorden, eindigend in een daverend crescendo bij löschen. Hij houdt zijn linkerwijsvinger onder zijn neus en steekt zijn rechterarm de lucht in.
Ja, lachen.
‘Het tegenovergestelde van löschen is speichern, dat betekent opslaan in de database.’
Ze ziet een forse Duitser voor zich met lederhosen aan en een Tiroler hoedje op. Hij is gedreven regels aan het bijschrijven op een kleitablet met een beiteltje en een spijker.
Ja, zo moet dat gegaan zijn, in de begintijd van SAP, peinst ze.
‘De MARA is de artikelstam. Onder één artikel hangen bijvoorbeeld verschillende bedrijfscodes, verkooporganisaties en opslaglocaties. Die heten BUKRS, Buchungskreis, VKORG, Verkaufsorganisation en LGORT, Lagerraum. De artikelstamgegevens worden op vijf verschillende niveau’s opgeslagen.’
Ze opent de Material Master en klikt door alle zeventien tabjes heen.
Ah, ja. Het begint al een beetje voor me te leven. Ik word hier blij van. Dit zou weleens bij mij kunnen passen.
EKKO, EKPO, LIKP, LIPS
MATNR, KUNNR, ik zie pips!
LIFNR kommt noch dabei
Info wird gespeichert, aber SAP gibt’s nicht mehr frei
VBAK, VBAP, VBRK
Klick durch alle diese Schirme ja!
BSEG, MSEG, das ist frech
Mäuschen, Mäuschen, wie wa weg!

‘Ruth, we moeten weg’, zegt Aart.
Verstoord kijkt ze op. Is het nu al tien uur? Ze moet nog zoveel werk afmaken, maar helaas, er staat een conference call gepland met head office.
Met z’n vijven stommelen ze de vergaderzaal binnen. Het is een bonte stoet. Aart draagt een net grijs pak met een Woody Woodpecker-stropdas. Middle manager Erwin heeft een aubergine ensemble uit de kast getrokken, waarvan de broek al heel vaak in de was is geweest en het jasje nog nooit. Jochem heeft een houthakkersoverhemd aan, en zijzelf een zwarte broek met witte pluizen. Collega Pieter loopt in een rafelig Nitzer Ebb-shirt. Door zijn verende tred deinen zijn lange haren in tegenfase mee. Aart tikt de belcode in.
‘Allo? Hello? Hallo! Is this the number 806-205-656?’
‘Yes! Welcome to the conference call! We have a latecomer on our side. We’ll wait for him, OK? Just a few minutes.’
‘How are you? On our side we have Pierre, Thierry, Bernard and Dominique.’
‘Bernard, is it you?’ schiet Aart overeind. ‘How are you?’
‘Very well, thank you! It was nice seeing you in Berlin!’
‘Yes, it was good seeing you too! How are your kids?’
‘Fine thanks, the eldest is nine already, time flies! How are your kids doing?’
‘Great thanks, the youngest has taken up painting and he’s a natural!’
‘Nice! How it looks like?’
‘Hallo, hallo! Dietrich here, who else is on the line? Can you all hear me? I’ve limited sound.’
‘Dietrich, Pierre here, how are you?’
‘Fine, very pleasure to speak to you! How’s the weather over there?’
‘It’s nice and sunny here, I’m starting to long for my holiday!’
‘But that is still quite a long way away, isn’t it Pierre?’
‘Yes, alas it is, ha ha. Actually, I didn’t know you would be in this conference call. Are you also in the loop vis-a-vis warehouse management?’
‘No no, this is the call about controlling.’
Verwarring alom, iedereen spreekt door elkaar.
‘Ah, they gave us the same number! We will get another number, don’t worry. Everyone who’s here for the warehouse management meeting, please check all your mails, you will get a different code. OK, we will hang up now. We’ll see each other at the quarterly meeting, I am confidence. Speak to you then, bye bye!’ Eén voor één gaan enkele deelnemers van de lijn af.
‘Aaah, so, we will start now. Please can everyone state their name so we know who’s here? On our side we have Pierre, Thierry, Bernard, Dominique and Thomas.’
‘Hello, this is the Netherlands, we have Aart, Jochem, Pieter, Erwin and Ruth.’
‘The issue we want to talk about today is…’
‘Hello, hello, this is Michael! Is this the eleven o’clock meeting about fixed assets?’

Ruth treuzelt het gebouw van de software-provider binnen.
Shit, te vroeg. Nu moet ik nog een half uur overbruggen tot de eerste kennissessie begint.
Ze pakt een glas jus d’orange van een tafel. Knikt naar een andere techneut.
‘Gebruiken jullie ook SAP CRM?’
‘Ja’, knikt hij.
‘Viel wel mee hè, om hier te komen?’ houdt ze vol.
‘Môh’, doet hij zuinig.
Ze klokt haar drankje achterover en gaat even uitrusten op het toilet. Teruggekomen bij de tafel wordt ze aangesproken door een relaxte jongen. Hij glimlacht vriendelijk naar haar. ‘Ah, jij ziet er dorstig uit, jij wilt zeker ook wel een jus?’
‘Ja lekker’, zegt ze.
‘Berend’, steekt hij zijn hand uit.
‘Ruth’, zegt ze.
‘Coole stoel’, wijst Berend naar een setje vergaderstoelen met oortjes.
‘Mooi ja’, bevestigt ze.
‘Design, kan niet anders.’
‘Ik hou ook van design’, zegt ze.
‘Eames en Jacobsen vind ik mooi, ken je die?’
‘Fantastisch ja, prachtig!’
‘Ga je ook weleens naar musea?’
‘Ja, vind ik leuk, ik ben pas nog naar Groningen geweest.’
‘Heel mooi museum, ga ik ook altijd graag naar toe. Is ook niet zo ver weg. Je bent er zo.’
‘Ja’, knikt ze.
‘Kijk eens’, wijst Berend, ‘wij zijn de enigen die met elkaar praten.’
Ze kijkt om zich heen en ziet vijftig eenlingen in ruitjesbloezen en verstandige schoenen die in hun glaasje turen of op hun mobiel.
‘Hee kijk, daar verderop zijn ook nog drie mensen in gesprek’, grijnst ze.
‘Lach maar, ik vind het niks, wat een dooie boel.’
‘Ik snap het wel, ik hou eigenlijk ook niet zo van smalltalk’, bekent ze.
‘Maar je kunt er toch altijd wel wat van maken?’ vraagt Berend.
‘Neem er bijvoorbeeld een handicap bij.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Om het minder saai te maken.’
‘Dus dit verveelt jou ook?’
‘Precies, maar ik maak het toch interessant voor mezelf.
Quizvraag: hoe kun je dat doen?’ Er begint iets bij haar te dagen.
‘Raar hoe je dat zegt’, zegt ze.
‘Soms is dat even nodig’, zegt Berend. ‘Toch?’
‘U zegt het. Vanaf hoe laat begint de presentatie?’
‘We hebben nog vijf minuten.’
‘Ik zie wat je doet’, smokkelt ze.
‘Yep, en wat heb je daarvan geleerd?’
‘Zorg zelf dat saaie dingen leuk worden, al is het maar door een flauw alfabetspelletje te spelen.’
Berend lacht.
Samen lopen ze de zaal in.

Na haar training wordt Ruth bij een grote klant in Noord-Holland geplaatst. Ze gaan het kassasysteem van Winning gebruiken. Op haar eerste werkdag wandelt ze een grote kantoortuin in. De West-Friese appelwangetjes van de klant werken er zij aan zij met de brede Brabantse gezichten van Winning.
Helemaal achterin is nog een mooi plekje voor mij. Met rugdekking, lekker veilig.
Erwin, die hier projectleider is, geeft haar een login.
‘Hiermee kom je in de zandbak-omgeving, zegt hij. Jouw taak is om er wat testgegevens in te zetten.’
Met hangen en wurgen doet ze haar werk. Normaal gesproken heeft ze veel meer autorisaties in het systeem dan hier, maar ze weet zich te redden met de beperkte rechten die ze heeft.
‘O wat suf!’ roept ze uit. ‘Ik heb de klanten in de leverancierstabel gestopt en andersom.’
‘Nou, dat zou ik maar niet zo van de daken schreeuwen’, lacht een consultant die naast haar zit. ‘Maar waar staan die gegevens dan? Ik moet in de zandbak testen, maar ik heb helemaal geen data!’
‘Hè, jij zit in omgeving 600’, ziet ze als ze met hem meekijkt. ‘Ik zit in 500. Erwin, mag ik ook in die andere zandbak gaan werken?’
‘Nee’, zegt die stug, ‘ga maar even wat anders doen. Ik heb geen tijd om je aan het werk te houden, want ik moet zo nog naar een meeting over interfacing.’
‘Mag ik daar ook heen? Ik kan nu toch niet verder.’
‘Ik zal Aart om toestemming vragen’, zegt hij kortaf.
Een uitgebreide chatsessie volgt. Dan is het geregeld; ze mag mee.
Tijdens de meeting merkt ze dat de consultants snel willen doordouwen en bepaalde maatwerkspecificaties niet willen meenemen. Niemand zegt iets, behalve één oud-directielid van de klant, Charles. Hij vraagt de consultants het hemd van het lijf. Hij blijkt tot in detail op de hoogte te zijn van het hele project.
Ruth steekt haar vinger op en zegt: ‘De interface naar het archiveringssysteem moet ook meegenomen worden.’
Zo, denkt ze tevreden, dat is dan bij deze vastgelegd. Dat gaat de klant veel geld schelen. De consultants kunnen dit punt nu niet meer als meerwerk declareren.
Charles bestendigt nog even de afspraak die net gemaakt is en knikt haar vriendelijk toe. Erwin kijkt verstoord om. Wat doet die nieuwe? ziet ze hem denken. Hoezo denkt ze dat zíj het woord kan nemen? Na afloop van de meeting slaat iemand een praatje met Charles.
‘Dat wil ik ook wel’, zegt ze.
Erwin is meteen enthousiast: ‘Kun je rustig doen hoor, ga maar naar hem toe.’
‘Denk je dat dat wel kan?’ aarzelt ze.
‘Tuurlijk!’ moedigt hij haar aan.
Ze loopt op Charles af. Hij is heel toeschietelijk en praat uitgebreid met haar over de voortgang van het project. Ze blijken over heel veel dingen hetzelfde te denken. Kosten besparen, de zaken simpel houden.
De volgende ochtend moet ze op het matje komen bij Aart.
‘Begrijp je wel hoe de dingen hier werken?’ vraagt hij korzelig. ‘Je bent een ongeleid projectiel. Hoe haal je het in je hoofd om zo met Charles te praten. Je kost ons omzet met die stomme opmerkingen van je.’
Beteuterd druipt ze af.
Dat mag ik óók al niet.

Als ze de volgende ochtend op kantoor komt, is iedereen druk in gesprek.
‘Heb jij het al gehoord?’ vraagt Jochem haar. ‘We hebben een winstwaarschuwing gekregen, omdat alle verbouwingen zoveel geld gekost hebben. Er moeten mensen uit. De hele wholesale-tak is al afgestoten. Doorverkocht aan een ander consultancy-bedrijf. Maar er moet nog meer bezuinigd worden. Ze gaan gesprekken voeren met iedereen.’
Als techneut ben ik wel veilig. Als er gesneden moet worden, dan zal dat wel in de managementlagen zijn, of bij de functioneel specialisten. De techneuten zijn de kurk waar het bedrijf op drijft. Die doe je toch niet weg?
Als ze aan de beurt is voor haar gesprek, loopt ze de kamer van Aart in.
‘Ik zal maar met de deur in huis vallen’, zegt hij. ‘We gaan iedereen die op een tijdelijk contract zit uitfaseren. Daar hoor jij ook bij. Maar je paste sowieso al niet in onze bedrijfscultuur. Ik snap dat je hier even van moet bijkomen. Je mag vanmiddag vrij nemen als je wilt.’
In shock loopt ze naar de bushalte.
Ik wil hier zo snel mogelijk weg.
Uitgerekend nu komt de bus niet. Ze staat wel drie kwartier te wachten.
Ik staat mooi te kijk zo, pal voor het bedrijfspand.
Het is twaalf uur en plukjes consultants komen het gebouw uitlopen voor hun lunchwandelingetje.
Jochem en Pieter zijn er ook bij, ziet ze. Ze krijgen haar in het vizier en stevenen op haar af.
‘Middagje vrij?’ vraagt Jochem.
‘Nee, ik ben net ontslagen’, zegt ze vlak.
‘O, zat jij er ook bij?’ vraagt Pieter gemaakt verbaasd.
‘Balen!’ zegt Jochem. ‘Als ik wat hoor zal ik aan je denken.’
‘Wou je met deze bus?’ vraagt Pieter. ‘Die gaat niet overdag, hoor. Alleen ’s ochtends en ’s avonds tijdens de spits.’
‘O, stom, bedankt. Nou, ik zie jullie wel weer, hè.’
Ze beent snel weg, op zoek naar een bus die wél rijdt. Als ze die gevonden heeft, zijgt ze uitgeput neer. Bij het uitstappen vergeet ze uit te checken. Na nog een korte treinrit is ze thuis. Ze kruipt meteen onder de dekens en blijft daar twee dagen liggen.

Zes jaar.
Ruth gezin verhuist naar een nieuw huis. Haar moeder was druk met redderen. Ze wilde er eindelijk eens knap bijzitten. Na jaren in een oud huis met afdankertjes en lekkageplekken trokken ze nu in een gloednieuw huis met spulletjes naar haar smaak.
Hun hond Stip had stress na de verhuizing en begon aan spullen te knagen. Haar moeder besloot toen dat hij een spuitje moest krijgen. Hij moest het afleggen tegen de nieuwe eikenhouten bank met ribcord bekleding.
Ruth ging stil op bed liggen. Stip was haar beste vriend.
Ze bestudeerde de vlammende patronen op de schrootjeswand naast haar bed. Je kon er van alles in zien. Ze ging zo dicht mogelijk tegen het hout aan liggen. Ze droomde dat ze kon verdwijnen en een nieuwe wereld binnen kon wandelen in die wand.
Ik wou dat ik erin kon kruipen.
Ruth was zes en nam een besluit.
Ik doe het alleen vanaf nu. Ik heb niemand nodig.
Fuk dem.

‘Wat wil je drinken?’ vraagt haar moeder.
Ze zitten op de binnenplaats van het Louis Hartlooper Complex en hebben net een portie falafel achter de knopen.
‘Latte macchiato’, besluit ze na uitgebreid wikken en wegen. ‘Apart hoor’, giechelt haar moeder. ‘Dat hebben ze bij ons niet.’ ‘Stadse fratsen’, lacht Ruth.
‘Fijn, zo met mijn dochter op stap. Je weet niet hoe vaak dat nog kan’, zegt haar moeder, terwijl ze Ruths hand bijna fijnknijpt. ‘Hè mam! Dat soort dingen moet je niet zeggen, hoor!’
‘Nou, ik geniet er toch maar even van. Wel jammer, dat je weer zonder baan zit. Hoe komt dat nou toch steeds?’
‘Wat wil je ook met zo’n achtergrond’, zegt Ruth spottend.
‘Dat vind ik niet leuk, als je dat soort dingen zegt. Je hebt toch een goede jeugd gehad? We hebben voor alles gezorgd.’
‘Nou… het was niet echt een warm bad hè, vroeger.’
‘Ik heb mijn best gedaan. Ik ben nou eenmaal niet zo aanrakerig. Dat heb ik nooit geleerd.’
‘Je weet hoe het was met papa’, zegt Ruth.
‘Ja, die is nou eenmaal zo. Daar doe je niks aan.’
‘Ik snap nog steeds niet waarom je bij hem bent gebleven.’
‘Je moet het nemen zoals het valt en er het beste van maken met elkaar.’ Haar moeder buigt zich dicht naar haar toe. ‘Voor ik met je vader was, heb ik nog gecorrespondeerd met een andere man, heb ik dat al eens verteld? Een hele leuke vent was dat. Een echte gentleman.’
‘Maar waarom heb je die dan niet genomen?’
‘Nee, dat kon echt niet. Bij onze eerste ontmoeting bleek hij een kop kleiner te zijn dan ik! Had-ie over gelogen!’ Haar moeder snuift verontwaardigd. ‘Je vader heeft een mooie lengte. Het is niet moeders mooiste, dat niet. Achteraf denk ik dat ik te weinig zelfvertrouwen had. Ik dacht: hem kan ik wel hebben. Later merkte ik pas hoe driftig hij kan worden. Het spijt me als ik het niet goed heb gedaan.’
‘Dat heb je wel. Je hebt goed voor me gezorgd.’
‘Dat vind ik fijn om te horen’, zegt haar moeder met een diepe zucht.

Ik ben zo verdrietig over dit ontslag. Het lukt me steeds maar niet om een baan te houden. Ik saboteer mezelf steeds, schiet in een kramp, haal mezelf naar beneden.
Waarom doe ik dat? Alsof ik geloof dat ik het niet verdien. Ik kan het midden niet vinden. Soms ben ik veel te aardig. En als ik me schrap zet om niet omver gelopen te worden, zijn mensen ineens bang van me. Hoe doen anderen dat toch?
Ik rouw om de onbevangenheid die ik te vroeg kwijtraakte, om de persoon die ik niet mocht worden.
Mijn moeder vroeg of ze het wel goed had gedaan met mij. Ik heb gezegd van wel, maar ik meende het niet. Ik ben nog steeds kwaad. Ze had mijn vader helemaal niet hoeven te nemen. Ze had keus. Maar ja, het waren andere tijden. Ik kan me niet in haar situatie verplaatsen.
Wat als een andere man mijn vader was geweest? Dan had ze niet zitten afgeven op de grove gelaatstrekken die ik van mijn vader heb. Dan had ik de gelaatstrekken van die andere meneer gehad. Nee, zo werkt het niet. Ik zou er helemaal niet geweest zijn dan. Deze gedachtenspelletjes leiden nergens toe.
Kom op.
Vooruit met de geit.
Doorgaan.
Flink zijn.
Niet zeuren.
En dat midden zien te vinden.

Mark:
Peaches speelt in Amsterdam. Daar moeten we heen!
Ruth:
Back it up, baby!
Petra:
Yeah! Kiss my micro glove!
Die dag spreken ze af bij Petra. Vanaf daar is het nog maar een klein stukje rijden naar Amsterdam. Petra zet Peaches op en ze brullen alle teksten mee.
‘Jammer Ruth, dat je weer ontslagen bent’, roept Mark.
‘Ja, het voelt zo oneerlijk. En ik baal ervan dat ik mijn project niet meer af mag maken.’
‘Ik ben nu ook aan het rondkijken’, zegt Petra. ‘Als ik een vacature voor jou zie mail ik ‘m door, OK?’
Ruths telefoon gaat over. Ze wordt krijtwit. Petra en Mark kijken elkaar bezorgd aan.
‘Even stoppen, alsjeblieft’, zegt ze.
Ze wankelt de auto uit en gaat een eindje verderop aan het water zitten. Ze kijkt wezenloos voor zich uit.
Petra en Mark lopen haar aarzelend achterna. Ze durven niet te dichtbij te komen.
‘Wat is er?’ vraagt Petra tenslotte.
‘Ik moet naar huis’, zegt Ruth vlak. ‘Mijn moeder is net overleden. Hartinfarct.’
‘Wat? Was ze ziek dan?’ vraagt Mark.
‘Nee, alleen wat vage klachten. Ik snap het niet. Ik geloof het niet.’
‘Jij kunt niet alleen zijn nu’, zegt Petra. ‘Ik geef je wel een lift.’
‘Dat kan niet, jullie gaan naar het concert!’
‘Onzin’, roept Mark, ‘we gaan met je mee.’
‘Dat is lief’, zegt ze dankbaar.
Na een uur rijden in bedrukte stilte komen ze aan in Doesburg. Haar vader verwelkomt hen in het ouderlijk huis.
Hij heeft zijn vest weer verkeerd geknoopt. De anderen hebben het ook gezien.
‘Zo, zijn dat nou je collega’s?’ vraagt hij onbewogen. ‘Wat doe je nu ook alweer?’
Mechanisch schuiven ze de rommelige woonkamer in. Geen tranen, geen oogcontact, geen omhelzing. Twee stoelen zijn leeg, dat zijn de vaste zitplekken van haar vader en moeder. Ruth haalt de rotzooi van twee andere stoelen af en gaat dan snel in de verste hoek van de kamer zitten. De stoelen tussen haar vader en haar in heeft ze Petra en Mark toebedacht.
‘Ruth, hoe wil je je koffie? En wat willen die andere mensen erin?’ roept haar vader vanuit de keuken.
Petra en Mark kijken haar vragend aan. Mark wenkt naar een schilderij dat aan de muur hangt met een enorme spijker er dwars doorheen.
‘Hij moest dat schilderij ophangen van mijn moeder’, legt Ruth uit, ‘maar hij had er geen zin in.’
‘Ah’, lacht Mark ongemakkelijk.
Haar vader komt de kamer weer in met een groot dienblad. Wanneer hij dat tussen de puinhopen wil neerzetten, ontdekt hij een koffievlek op de salontafel. Verstoord haalt hij meteen een doekje uit de keuken. Minutieus verwijdert hij de vlek.
Ik schaam me minder voor hem dan ik dacht. Het raakt me niet meer zo.
‘Ik denk dat het beter is dat wij weer gaan’, zegt Petra. ‘We laten jullie alleen, OK?’
‘Is goed. Heel lief dat jullie me hier gebracht hebben.’
Petra en Mark schieten in hun jassen en vertrekken. Even later komen de mensen van de uitvaartorganisatie langs.
‘Wat wilt u dat we uw vrouw aandoen?’ vraagt een man haar vader.
Ruth loopt naar haar moeders kledingkast. Voorop hangt een kleerhanger met haar mooiste bloes, rok en ketting. Haar beste schoenen staan eronder. Ze overhandigt de kleren aan de uitvaartmensen, die haar beginnen op te baren.
‘Wist ze dit?’ vraagt ze haar vader.
‘Ze voelde zich al een hele tijd onrustig’, zegt hij. ‘Duizelig, zweterig. Ze is wel vijf keer naar de dokter geweest, maar die stuurde haar telkens weer weg. Ze wilde niet dat jij je zorgen ging maken. Dat had geen zin, zei ze.’
Dus daarom wilde ze zo vaak afspreken de laatste tijd. Gelukkig hebben we het goed af kunnen sluiten.

Die nacht slaapt Ruth voor het eerst sinds jaren weer in haar oude bed. De wollen AaBe-dekens uit haar jeugd liggen er nog op. De volgende ochtend ontbijten ze samen met suikerbrood en ontbijtkoek. Haar vader is een zoetekauw.
Is wel goed ook, dan bederft er ook niets.
De uitvaartmensen komen weer langs. Ze blijven niet lang. Haar moeder blijkt de hele begrafenis al te hebben geregeld.
De dagen erop is er veel bezoek. De kamer vult zich met bloemen. Ze draaft af en aan met koffie en koekjes.
Op de ochtend van de begrafenis wordt haar moeder de rouwauto ingedragen. Ruth gaat naast haar vader zitten. Een lange stoet auto’s volgt hen. Als ze de kerk in lopen ziet ze dat er nauwelijks nog een plekje vrij is. Oom Piet en tante Gerda zitten naast oom Jan en tante Annie op de voorste rij. Tante Heleen en haar vriend zitten er vlak achter, naast wat familie die ze minder goed kent.
Het hele dorp is uitgelopen. Hun oude buurtjes zijn ook gekomen, helemaal uit Rotterdam.
De toneelclub van haar moeder. Die van een dorp verderop, waar ze ook wel eens bijsprong. De ouderen van de soos waar ze vrijwilligerswerk deed. Ze strompelen de kerk binnen, wijzend, pratend.
Die hebben al vaker met dit bijltje gehakt.
Hun begeleiders zijn stil en verdrietig. Zij zijn nu hun collega kwijt.
Ruth leest zonder haperen een algemene psalm voor, zoals ze vooraf met de pastor heeft afgesproken. Ze voelt niets.
Oom Piet houdt een gloedvolle toespraak en haalt een voorval aan dat ze helemaal vergeten was. Haar moeder had eens, met rood hoofd en al, een toespraak gehouden in de gemeenteraad over het behoud van de ouderensoos.
Ja, zo was ze.
De dragers lopen naar het graf. Langzaam laten ze de kist zakken. Ruth krijgt het te kwaad.
Nu is het echt gebeurd. Ik kan het niet meer ontkennen.
Na afloop wilde haar moeder geen aula maar een zaaltje. In karavaan rijden ze ernaartoe, zij en haar vader voorop. In plaats van cake zijn er krentenbollen.
‘Je moeder was een bijzondere vrouw’, zegt een man. ‘Je zult wel trots op haar zijn.’
Tante Heleen trekt haar naar zich toe.
‘Ik had haar een beter leven gegund’, zegt ze.
‘Ze heeft het moeilijk gehad’, sluit tante Annie aan. ‘Ze moest op haar twaalfde al gaan werken.’
‘Ze had heel graag willen doorleren’, knikt Ruth. ‘Haar broers mochten dat wel, maar zij niet.’
Als iedereen vertrokken is gaat ze met haar vader mee naar achter om af te rekenen met de eigenaar. Als ze de deur opendoet ziet ze tot haar verbazing een bekend gezicht.
‘Anita!’ zegt ze schutterig. ‘Ik wist niet dat je nog in Doesburg woonde. Hoe is het? Is deze zaal van jou?’
‘Ja, en van mijn man’, knikt Anita. ‘Met mij is alles goed, hoor. Gecondoleerd met je moeder.’
‘Dank je. Fijn om te horen. Ik heb wel aan je gedacht, hoor.’
‘Ja. Lang geleden alweer’, zegt Anita. Ze glimlacht kort.
Volgens mij zijn we nu weer goed.
‘Heb je mama nog gesproken?’
‘Ja, ze is een paar keer langs geweest voor de reservering. We hebben samengezeten.’
En ze heeft niks tegen mij gezegd. Ze heeft het beter gedaan dan ik. Ik ben nu het ijskonijn.
Ze nemen afscheid van Anita en rijden weer naar het stille huis van haar vader. Ze slaapt weer in haar oude bed.
Voor ze de volgende dag de trein naar huis neemt, wandelt ze nog een keer langs het graf.
‘Dag mam’, zegt ze en drukt een kus op het bordje. ‘Dag Hermine.’













Geef een reactie