‘Kijk, waar nu die loods staat komt straks ons nieuwe kantoor’, wijst Arnold trots. Ruth is hier nu voor het derde gesprek en intussen is het wel zo goed als zeker dat hij haar nieuwe chef gaat worden. De rondleiding die ze nu van hem krijgt stemt haar in elk geval hoopvol.
‘Dit pand gaat zometeen ook tegen de vlakte’, wijst hij.
‘Daar komt straks R&D. En dat pand wordt ook helemaal verbouwd, dat ken je zometeen niet meer terug.’
Op haar eerste werkdag loopt ze zowaar in één keer goed naar haar nieuwe kantoor. Arnold zit er al, net als haar nieuwe collega’s Hetty en Peter. Ze nemen gezinssituaties, vorige banen en hobby’s door.
‘Hoeveel kinderen heb jij?’ vraagt Hetty dwingend.
‘Geen.’
‘Maar heb je wel een man dan?’
‘Nee, ook niet. En jij, vertel eens?’
Hetty heeft aan een half woord genoeg en wijdt eindeloos uit over al haar kinderen. Ruth noteert tersluiks de namen en leeftijden op een papiertje. Ook de namen van Peters vrouw en kinderen schrijft ze op.
Poeh, die Hetty is iemand die zich de kaas niet van het brood laat eten. Pittig type.
Peter is mellow, relaxed. Hij helpt haar om haar bureaustoel en -tafel op de goede hoogte in te stellen.
Ze nestelt zich verder door haar desktopicoontjes en het overzichtsdocument dat ze van baan naar baan meesleept neer te zetten op de plek die ze gewend is.
Op deze eerste dag staan er voor haar alleen gesprekken ingepland met een aantal key users.
Met veel vragen vindt ze haar weg door de verschillende gebouwen. Aan het einde van de dag weet ze zelf succesvol de uitgang te bereiken.
Zo, de kop is er weer af. Eens kijken hoelang ik hier nu weer mag blijven.

Ruth is vroeg op kantoor. Dat eerste uurtje is goud waard, vindt ze. Dan krijg je dingen gedaan. Ze begint aan een debugsessie. Al snel ziet ze waar het misgaat. De vorige programmeur heeft uit memory gelezen, maar niet met de volledige sleutel. Daarom worden nu de verkeerde records gepakt, wat leidt tot de foutmelding waarover de eindgebruiker klaagde.
Maar wacht, als ik nu eens…
De telefoon gaat. Het is Harry. Na drie keer rinkelen neemt ze op.
‘Ah, laat maar, ik weet het al’, zegt Harry, en hangt op.
Een groot regenpak staat in de deuropening met haar collega Hetty erin. Zjiep, zjiep, zjiep, loopt ze naar Ruth toe. Ze pelt haar buitenste laag af en spreidt het regenpak uit over een paar stoelen. Ruth kijkt naar buiten. Ze ziet alleen een paar spatjes, net als toen zij zo-even hier naartoe fietste.
Hetty pakt koffie en begint er verwoed in te roeren. Ting, ting, ting. Geconcentreerd kijkt ze naar de maalstroom die ze veroorzaakt. Het lijkt of ze honderd slagen wil maken, maar dat moest toch alleen bij haarborstelen? Haar armbanden en oorbellen rinkelen door de beweging. Haarclip uit, haarclip weer in. Nadat dit gebeurd is, moet de radio aan. Q Music.
Collega Peter komt binnenzeilen. Nu wordt het weekend besproken. ‘We zijn met de kinderen naar de speeltuin geweest’, zegt hij. Hij laat wat ruwe beelden zien die hij met z’n mobiel heeft geschoten. Kind van de glijbaan. Kind op de wip. De terugtocht naar huis.
Hetty en Ruth uiten bewonderende klanken.
‘Ik heb ook nog aan mijn schuurtje gewerkt met een maat van me. En gisteren was mijn zoontje ziek dus ik heb maar weinig geslapen. Wat hebben jullie gedaan dit weekend?’
‘Mijn dochter is naar Amsterdam geweest met haar klasgenootjes’, vertelt Hetty. ‘Ze hadden nog iets geks meegemaakt. Ze zagen een vrouw lopen op straat, maar dat was eigenlijk een man. Grappig, joh!’ Ze trekt haar guitige gezicht.
‘En wat heb je zélf meegemaakt?’ vraagt Peter lachend.
‘Mijn zoon is naar een concert geweest’, gaat Hetty door. ‘Hele harde muziek, hij liet het me even horen. Mij een beetje te apart.’
Peter vraagt dan maar aan Ruth: ‘Hoe was jóuw weekend?’
‘Goed’, antwoordt ze. ‘Ik heb een artikel geschreven voor Wikipedia.’
Zoals ze al hoopte is alle gezelligheid met dit antwoord in één klap verdwenen. Peter en Hetty kijken elkaar fronsend aan, storten zich op hun toetsenborden en gaan aan de slag.
Ruth zoemt tevreden. Focus, voor zolang het duurt.

Maandagochtend, half acht. Ruth is druk bezig. Eddy van mMrketing onderbreekt haar met een verhit gezicht. Zijn lijstje is niet uit de printer gekomen. Of ze het maar even meteen wil oplossen. Ze kijkt wat er gebeurd is. Eddy heeft miljoenen records geselecteerd, dat kan het systeem niet aan.
Vorige week stond hij ook al aan haar bureau en de week ervoor ook. Alle eindgebruikers zijn gelijk, maar sommigen eisen meer zorg dan anderen.
Dinsdagochtend, acht uur. Er is ’s nachts iets omgevallen, waardoor de hele logistieke afdeling plat ligt. Ze overlegt koortsachtig met Peter.
Eddy loopt op hen af en begint onverstoorbaar een lang verhaal af te steken, midden door hun gesprek heen.
‘Ja, doe ik zo, ik kom bij je’, zegt ze.
Zij en Peter zijn nog druk bezig als ze worden onderbroken door Arnoud, die een triomfantelijk lachende Eddy in zijn kielzog meevoert.
‘Het heeft nu de allerhoogste prio dat Eddy’s problemen worden opgelost, anders lopen we vertraging op met de boekhouding’, zegt Arnoud. ‘Eddy gaat morgen met vakantie dus dit moet meteen verholpen worden!’
Ondanks alle onderbrekingen lost ze met Peter snel de logistieke issues op en dan begint ze aan Eddy’s probleem. Het blijkt te gaan om iets dat hij al eerder gemeld heeft en waarvoor ze al een oplossing heeft klaargezet in de testomgeving. Daar heeft hij nooit naar gekeken.
Een week later. RUST aan het bureau. Eddy’s lijstje blijkt drie weken lang door niemand gemist te worden. Omdat ze nu tijd over heeft, voegt ze er uit balorigheid een subkopje toe. Onder “Overview of intercompany orders” staat nu, in een iets kleiner font: This report isn’t read by anyone.
Eddy keert terug, het ritueel van de wekelijkse werkonderbreking keert terug.
Niemand heeft ooit een opmerking gemaakt over het subkopje.

Ze mag er een dagje uit. Er is een Business Intelligence-vakbeurs, in de RAI in Amsterdam.
‘Hee, hai’, knikt ze de consultant toe die bij de stand van het dashboarding-tool staat. Ze kent hem nog van gezicht, van Empire. Toen zijn ze met het hele BI-team naar het kantoor van deze leverancier geweest, omdat hun tool op de shortlist stond. Ze zijn het niet geworden.
Hij bekijkt haar naambordje. Zijn gezicht licht op.
‘Ha, hoe is het?’ vraagt hij enthousiast. ‘Hoe gaat het met Arnold en zijn kinderen? En met de gezondheid van Peter?’
Hij weet háár naam ook niet meer, en realiseert zich ook niet dat zij bij hun vorige ontmoetingen voor een heel ander bedrijf werkte dan nu. Ze praatten toen uitgebreid over muziek, hun gezamenlijke hobby. Ze trof hem zelfs ooit nog bij een concert van Sammie America’s MAM. Hij is het allemaal vergeten.
Ze gluurt naar zijn naambordje.
‘Ha Jort. De vorige keer dat we elkaar zagen werkte ik nog bij Empire, weet je nog? Met Arnold en Peter gaat alles goed.’
‘Toch jammer dat jullie destijds gestopt zijn met ons product. Wat gebruiken jullie nu?’
‘BW’, zegt ze.
‘Wat zonde’, zegt Jort met spijt in zijn stem. ‘Die tool heeft zoveel overhead, de onze is lean and mean. Als je het mij vraagt een foute beslissing. Maar daar zullen jullie nog wel achter komen.’
Goh, ook niet handig, ik geef hem een voorzet over Empire en hij pakt hem helemaal niet op. Ze zijn daar niet tevreden over de oplossing die ze uiteindelijk kozen en zijn ze zich nu opnieuw aan het oriënteren. Bovendien klotst het geld daar tegen de plinten. Maar als hij niet naar me wil luisteren, dan maar niet. Als ík zijn baan had, zou ik het wel beter doen.
‘Nou, fijne dag nog hè’, zegt ze en ze loopt de rest van de stands langs.
Een wanhopige consultant trekt haar zijn stand in. Goedmoedig hoort ze zijn verhaaltje aan.
‘Kijk, onze tool kan communiceren met je Outlook-agenda. Dat is iets wat geen van onze concurrenten nog heeft. Grafisch is onze tool ook erg sterk.’
Hij toont haar een scherm met dansende widgets die over elkaar heen buitelen. Hoopvol vangt hij haar blik.
‘Prachtig. Ziet er mooi uit, hoor.’
‘Ja hè’, zegt hij trots. ‘Een beetje de Instagram look & feel. Onze CEO komt daar vandaan.’
Ze loopt door naar de volgende stand. De treurige consultant die ze daar aantreft heeft zijn beste tijd al heel lang achter zich. Hij bedelft haar onder technospeak.
Een kraampje verderop zitten twee marketingdames landerig met elkaar te geiten. Ze spreken iedereen aan die zich binnen hun actieradius begeeft.
‘Wij zijn niet inhoudelijk hoor’, stellen ze haar gerust, ‘alleen procedureel. De technische consultant staat daar, voor als je vragen hebt.’
Na haar rondje gaat ze bij de consultants van Platinum staan. Ze voeren het BI-project bij Sterling uit en zijn in volle oorlogssterkte komen opdraven voor dit evenement. Ze begroet de drie die ze kent en stelt zich voor aan de anderen.
Jort kijkt nors als hij haar bij het concurrerende groepje ziet staan, vlak voor zijn stand. ‘Hee, alles goed’, zegt hij afgemeten tegen Bill Nelson, de team lead.
Bill lacht gemaakt vriendelijk terug en draait dan zijn rug naar Jort toe.
Aan het einde van de dag is er een slotpresentatie in een grote zaal. De consultants uit haar groepje fluisteren opgewonden de naam van de Innovation Evangelist die zometeen gaat spreken. Een slanke man in een strak pak betreedt het podium. Hij praat in moordend tempo over een filmpje heen. Het begint voorzichtig met wat kantelende foto’s, maar het duurt niet lang voor er een 3D-taartdiagram in stukken uiteen drijft. Een stel fotomodellen schrijft formules op doorzichtige schermen terwijl een camera van ze afzwenkt.
De Gartner Group wordt geciteerd. Machine Learning. Predictive Analytics. Augmented Analytics. Data Eco System. Aan het eind van het filmpje lacht een groep wereldburgers elkaar toe. Het is prachtig.
De man heeft al ratelend alle bedrijfsnamen uit de zaal genoemd en alle belangrijke mensen aangekeken.
De consultants van Platinum zijn lyrisch. ‘Wat een presentatie! Wat een man!’
Ruth vindt het nu wel mooi geweest en vertrekt.
Leuk, zo’n dagje uit. Het breekt de week en je kunt er weer even helemaal tegen. En dan krijg je ook nog eens een mooie slijtvaste kunststof pen met kleurenbedrukking mee naar huis.

Ruth klokt in. Het klokapparaat piept, maar ze heeft het niet in de gaten. Nog half slapend sleept ze zich naar het koffie-apparaat. Ze houdt haar beker eronder en drukt op de knop. Ze staat zo onvast op haar benen dat ze licht afzwenkt naar links. Daardoor belandt een groot deel van de koffie op haar broek. Gelukkig draagt ze zwart. Ze gooit de resterende koffie naar binnen en duikt de WC in. Met wat handzeep en acrobatische toeren boven het fonteintje probeert ze de vlek te verwijderen. Als ze klaar is met poedelen is heel haar broek nat en zit de enorme koffievlek er nog steeds.
Zodra ze druipend uit de WC komt, wordt ze aangeklampt door William.
‘Kun je even meekomen? Ik kan niks meer inscannen!’
Ze laat zich meetronen naar het magazijn waar troepjes koffiedrinkende magazijnmedewerkers verwachtingsvol opkijken. Ze probeert ook zelf een order in te scannen maar ziet dat dat inderdaad niet lukt.
‘Ik moet dit op mijn eigen computer zien, ik bel jullie zo’, zegt ze en ze loopt snel naar haar werkplek.
Daar staat Eddy op haar te wachten. Hij doet zijn mond al open om aan een van zijn wijdlopige verhalen te beginnen.
‘Sorry, moet even een brandje blussen!’ roept ze.
De telefoon gaat. Het is Harry. Na vier keer rinkelen neemt ze op. ‘Ah, laat maar, ik weet het al’, zegt Harry, en hangt op.
Ze logt in en schrikt van de hoeveelheid mail in haar inbox. Een programmawijziging, die ze zelf die nacht heeft overgehaald, heeft voor enorme problemen gezorgd. Op dit moment kunnen geen orders worden afgehandeld. Niet alleen het magazijn maar ook logistiek en expeditie zitten hierdoor duimen te draaien. Ze draait de wijziging van gisteren snel terug en belt met een paar key users. Nu ze weet wat er precies hersteld moet worden in het systeem kan ze één voor één alle mailtjes wegwerken en zoeken naar over het hoofd geziene fouten. Ze vindt er inderdaad nog een paar en na ruggespraak met de key users herstelt ze die ook.
Als ze bijna klaar is, komen Bram en Freek achter haar staan. Langzaam buigen ze zich steeds meer over haar heen, meekijkend naar haar scherm.
‘Zo, ik ben klaar. Wat willen jullie?’ vraagt ze gemaakt opgewekt.
Gelukkig willen ze alleen een kolom erbij in een lijstje. Dat kan ze snel afhandelen.
Harry belt weer, ziet ze. Ze laat de telefoon vijf keer rinkelen. Dan wordt het stil.
Melinda komt aanlopen.
‘Je hebt vanochtend uitgeklokt in plaats van ingeklokt’, zegt ze. ‘Zal ik het voor je herstellen?’
Aardig.
Ze schenkt de halve beker koffie in die ze vanochtend gemist heeft en blaast even uit. Op dat moment komt Arnold binnen.
‘Ja ja, rustig aan hè, dan breekt het lijntje niet’, monkelt hij.
Ik heb er al twee uur op zitten hoor, denkt ze. Maar ze zegt het niet.
In plaats daarvan zegt ze sloom: ‘Ja ik doe ook rustig, hoor. Heb vanochtend nog niks gedaan.’
Na al die jaren heeft ze nog steeds niet geleerd hoe ze een beetje tactisch en tactvol kan zijn.

Voordat ze het goed en wel beseft is er alweer bijna een jaar voorbij. Ze wordt bij Arnold geroepen voor de jaarlijkse beoordeling.
‘Was niet zo best hè, wat er gisteren gebeurde’, zegt hij.
‘Nee, was mijn schuld’, haast ze zich te vertellen. ‘Ik had dat programma overgehaald.’
‘Nou ja, kan gebeuren. Mensen die niks doen maken ook geen fouten’, zegt hij vergoelijkend. ‘Kom je wel een beetje door de tickets heen?’
‘Nee, er komt veel te veel binnen, de berg groeit alleen maar’, zegt ze krachteloos.
Arnold raakt nu een beetje geïrriteerd. Ik kan beter vanaf nu mijn lippen stijf op elkaar houden. Ik zeg toch altijd de verkeerde dingen.
‘Ik zie dat je op je PC erg veel tabjes tegelijk hebt openstaan’, zegt hij. ‘Niet doen. Het is chaotisch en je weet niet meer waar je bent.’
Ze zwijgt.
‘Als ik zie hoeveel jij nog op papier doet, slaat de schrik me om het hart. Werk paperless, je zult merken dat dat veel efficiënter is’, zegt hij afgemeten.
Ze kijkt hem onbewogen aan.
‘Het valt me op dat je vaak met je ogen knippert. Probeer daarop te letten, het maakt een onzekere indruk. Ken je de uitdrukking NIVEA? Niet Invullen Voor Een Ander. Is een tip die ik graag met je wil delen. Zoals je misschien wel gemerkt hebt, leef ik zelf ook naar die regel.’
Gefrustreerd breken ze hun afspraak op.
Verslagen loopt ze terug naar haar werkplek. De woede en wanhoop komen pas een dag later.
Waarom gaan dingen nou nooit eens makkelijk voor mij? Kan ik hier nu ook al niet zeker zijn van mijn plek? Houdt het dan nooit op?

De laatste tijd werkt ze elke dag wel een uur over. Ondanks haar noeste arbeid blijft de lijst met tickets almaar groeien. Ze gaat haar werkzaamheden langs en bedenkt welke taken ze bij iemand anders zou kunnen neerleggen.
Wacht, het testen van het nieuwe financiële rapport moet Willem zelf ook kunnen. Het eerste testwerk heb ik zelf al gedaan, en ik heb ook al een goede gebruikersinstructie geschreven.
Ze loopt naar Willem. Die heeft een fraai schema op zijn scherm waarin hij met allemaal gekleurde blokjes de boekingstypes per land heeft ingevuld.
Ik zou willen dat ik de tijd had om ook zo’n mooi schema te maken, met kleuren, arceringen en pijlen. Hij heeft ook nog een schaduweffect aangebracht. En gewerkt met verschillende fonts en uitlijningen.
Hij ziet haar niet. Hij lijkt wel in trance. Oh wacht, één oog gaat nu lodderig open.
‘Is er wat?’ bromt hij.
‘Ja. Dat rapport dat je wilde, dat heb ik gebouwd en het is nu klaar om getest te worden.’
Puffend en pruttelend begint hij te reageren. Aan zijn veranderende gezichtsuitdrukking is af te lezen op welk moment bij hem het besef indaalt dat er nu een inspanning van hém verwacht wordt. Radertjes draaien. Een blik die weer terugverandert van bedrukt naar opgewekt.
‘Is goed, schiet maar een afspraak in, dan kunnen we het samen testen.’
‘Ik heb een instructie geschreven’, blijft ze dapper doorproberen. ‘Je kunt het zelfstandig testen.’
‘Niet nodig, praat me er maar doorheen als we de test gaan uitvoeren.’
Ruth ziet in dat ze de minste tijd kwijt is als ze zélf een afspraak inschiet met Willem, zélf nog eens met hem meetest en zélf de instructie aan hem voorkauwt.
Er zit voor haar ook wel een voordeeltje aan dat hij zo werkschuw is. Zijn tickets gaan lekker lang mee. Zolang hij er nog ongeveer tien heeft openstaan, creëert hij geen nieuwe.
In het werkoverleg met hun chef Arnoud erbij praat Willem honderduit.
‘Ja, eh, voor wat betreft de implementatie van de aanpassing met betrekking tot de hotelvergoedingen, die uitrol staat on hold. Samen met Frenk ben ik flink in de weer geweest om het testplan te finaliseren. We hebben al een flinke slag gemaakt. Het testplan beslaat drie delen. De eerste twee zijn uitputtend beschreven en ook al succesvol uitgevoerd. Lopende de rit ontdekten we dat de functionele specificaties incompleet waren en hebben we met Ruth een sessie belegd om de ontbrekende specs boven tafel te krijgen. Dat heeft nog flink wat inspanning gekost. Daarna hebben we alles opnieuw afgestemd met de eindgebruikers. Ruth heeft na de laatste aanpassingen de technische specificaties bijgewerkt en voor het doorspreken van het testplan nog even een bila met mij ingeschoten. Wordt allemaal deze week afgerond.’
Ze moet erkennen dat hij het allemaal erg mooi kan verwoorden.
Arnoud, die in mijmering was vervallen, merkt dat Willem nu aan het einde van zijn woordenstroom is gekomen en gaat weer wat rechterop zitten.
Licht argwanend vraagt hij: ‘De verhoging van de hotelvergoeding. Is dat niet hetzelfde issue waar we het de vorige maand ook al over hadden?’
Onverstoorbaar zegt Willem: ‘Vergeleken bij hoe het eerst was gaan we er nu flink op vooruit. In maart komt er trouwens weer een nieuwe release, ik ben al bezig om uit te zoeken welke impact dat zal hebben op ons maatwerk. Maar ik heb goede hoop dat het meevalt en dat we met de nu gebouwde oplossing behoorlijk future proof zijn.’
‘Dus déze maand gaat het live?’
‘Zeker, alles volgens plan.’
Zelfs zij is onder de indruk geraakt van Willems betoog. Wow, wat zijn ze goed bezig geweest met z’n allen! Het klopt wel wat hij allemaal vertelt. Dit zijn inderdaad alle stappen die ze doorlopen hebben. Je zou bijna vergeten dat al deze drukte gaat om een aanpassing van slechts twee regels code.

Maandagochtend.
‘Weet jij het al?’ Peter loopt haastig naar haar toe, terwijl ze met dikke oogleden binnen komt sloffen.
‘Nee, wat?’
‘Hetty gaat weg! Ze is ergens anders voor gevraagd! En vrijdag is haar laatste dag al, want ze heeft nog een stuwmeer aan vakantiedagen!’
‘Je méént het! Die zag ik effe niet aankomen!’
Beiden doen hun best om te verbergen hoe opgetogen ze zijn over dit nieuws. Het is de rest van de kantoortuin grotendeels ontgaan hoe stroef de samenwerking tussen hen en Hetty verliep. Zulke dingen hou je toch het liefst binnen je eigen kantoorblokje. Het blijft dus bij een korte uitwisseling van vreugdevolle blikken, waarna beiden snel weer in hun beeldscherm duiken.
Hetty komt nu zelf ook binnen, schreeuwend in haar telefoon. Al haar opsmuk rinkelt.
‘Wat hoor ik?’ vraagt Ruth. ‘Ga je weg?’
‘Ja, een oud-collega heeft me gevraagd’, zegt Hetty nonchalant. ‘Hij had een leuke uitdaging voor me.’
Ze haalt koffie voor iedereen, behalve voor Abdel.
‘Krijg ik niks?’
‘Jij hebt ramadan’, zegt Hetty, die kennelijk niet weet dat Abdel helemaal niet islamitisch is.
Eddy van Marketing komt bij haar langs.
‘Goh, jammer hè, dat Hetty gaat! Je zult haar zeker wel gaan missen?’
‘Ja, nou is er veel meer werk voor ons’, draait ze eromheen. ‘En je moet maar afwachten wie je ervoor terugkrijgt’, gooit ze er nog een stoplap achteraan.
De leegte van haar reactie valt hem niet op. Hij is Hetty alweer uitgebreid aan het bewieroken en neemt na nog een kwartiertje kletsen hartelijk afscheid van haar.
Het weekje gaat snel voorbij. Ze kan Hetty’s cirkelzaagstem goed velen, nu ze weet dat ze er binnenkort geen last meer van zal hebben. Ze struikelt die week nog een keer over een grote paraplu die Hetty uitgeklapt in het gangpad heeft neergelegd om te drogen. Ze haalt haar schouders erover op. Het is toch de laatste keer.
Op de dag van haar afscheid krijgt Hetty een korte speech van Arnoud, waarna ze zelf een half uur het woord neemt en al haar successen de revue laat passeren. De helft van het werk dat ze opnoemt is door Ruth en Peter uitgevoerd. Beiden kiezen ervoor te zwijgen.
Hetty vertrekt vroeg. Ze neemt al haar KLM-huisjes mee en steekt ook nog even snel wat cursusboeken van de zaak in haar tas.
De volgende dag ruimt Ruth flink op. Ze begint met Hetty’s bureau en de twee belendende bureaus waar ze aan landjepik heeft gedaan. Daarna ruimt ze de kast uit. Hetty’s spullen liggen verspreid over alle planken.
Stapels volgekrabbelde onleesbare schrijfblokken, kantoorknuffels, fotolijstjes, pennen met glitters en veertjes, een grote paperclip met een lachend gezichtje, een paar uitgedroogde viltstiften. Een gebarsten mok van Blond Amsterdam. Verschillende giveaways: USB-sticks, een RFID-hoesje, allemaal met een ander bedrijfslogo erop. Een oude radio die op instorten staat. Drie doosjes lawaaithee: aardbeien, perzik en kersen. De weeïg-zoete geur walmt haar tegemoet.
Peter komt binnen en samen werken ze zich door de berg meuk heen. De papier- en vuilcontainers raken vol. Voldaan kijken ze elkaar aan.
In de kast is nu overzicht. Er staan alleen nog bruikbare spullen in, de persoonlijke apart van de gemeenschappelijke.
Vreedzaam beginnen ze aan hun werk – in stilte.
De kantoortuin stroomt langzaam vol.
Arnoud is er nu ook. Hij kijkt eens om zich heen, knikt goedkeurend. Ook hij zet zich aan de arbeid. Na een tijdje zegt hij: ‘Die notities in onze netwerkfolder, die heb ik weggedaan. Ze staan ook al in ons ticketsysteem. Al die pdf’s met tabeldefinities heb ik ook verwijderd, dat staat allemaal op internet.’
Zo gaan die dingen.
Hetty is weg en haar naam zal niet meer genoemd worden.

De laatste tijd is ze weer vaak in Doesburg. Ze wil daar niet zijn, maar het moet. Haar vader is ernstig ziek. Als ze ‘s ochtends vroeg aankomt is de thuishulp er nog. Ze trekt hem een joggingbroek aan met twee ritsen aan de zijkant.
Na haar vertrek wandelen ze samen naar de dagbesteding.
‘Die bolle heeft mijn broek niet goed aangedaan’, foetert hij.
In het verzorgingstehuis laat hij te pas en te onpas iedereen zijn katheter zien. Hij ontbloot zijn rechterbeen, bijna tot aan zijn lies. Daar zit zijn litteken. Ze weet nog hoe dat er kwam. Ze was erbij, het is een van haar eerste herinneringen. Het was nog in het oude huis. Haar vader en moeder hadden ruzie en ze stond in de deurpost te kijken. Haar vader stond te schreeuwen met een fles yoghurt in zijn hand. De fles was ineens stuk en hij sneed ermee in zijn been. Ze kreeg wat van de yoghurt op zich. Toen werd ze een soort van wakker. Tot dat moment leek het net een droom.
Niet lang daarna regelde haar moeder dat er een kostganger in huis kwam. Die speelde met haar. Ze hadden een grote zeepton vol met blokken. Lego bestond nog niet, het waren andere. Zachte plastic blokken in zachte kleuren. De kostganger nam uitgebreid de tijd om samen met haar een kasteel te bouwen. Het zijn warme herinneringen. Haar vader en moeder deden dat soort dingen niet. Oom Jan en tante Annie waren ook aardig. Via een geitenpaadje kon ze naar hun huis lopen. Dat deed ze vaak. Eén wanhopige keer liep ze er in haar pyjama heen en vroeg of ze mocht blijven. Tante Annie bracht haar terug en vertelde de anekdote lachend aan haar moeder.
Ze ging die dag een beetje op slot.
‘Lust jij ook erwtensoep?’ vraagt één van de vrijwilligers van de dagbesteding haar. Ze schrikt op uit haar overpeinzingen en knikt.
‘Waarom duurt het allemaal zo lang’, moppert haar vader. ‘Thuis heb ik veel lekkerder eten.’
Hij praat dwars door de anderen heen.
Terwijl ze de soep naar binnen lepelt, kletst ze met het oude heertje dat rechts van haar vader zit.
‘Ik vind het fijn dat jij hier vandaag bent’, zegt hij. ‘Zullen we even apart gaan zitten?’ Hij knipoogt schalks naar haar.
Ach ja. Al moet ik hier dan een hele ochtend zitten, ik kan in elk geval nog flirten. Op mijn vijfendertigste, met een tachtigjarige.
‘Ik ben wel beetje vergeetachtig’, zegt hij. ‘Ben jij nu een ander mens dan vanochtend? Is misschien een rare vraag.’
‘Nee hoor, mooi juist.’
Ze moeten allemaal in een kring gaan zitten en een bal naar elkaar overgooien. Haar vader wordt fanatiek. Hij gaat op het puntje van zijn stoel zitten. Als de bal ook maar een beetje in zijn buurt komt, vangt hij hem af. Degenen naast hem krijgen geen kans meer.
Egoïstisch, denkt ze. Eigengereid. Lastig tot in de kist.
Ze is er niet meer kwaad of gefrustreerd over. Ze schaamt zich niet langer. Ze heeft het losgelaten.

Ruth:
Zin om naar het concert van Weval te gaan?
Filmpje: Roll Together van Weval
Mark:
SGOED!
BEN KWAAD. IK WORD GEK VAN DIE MANAGER VAN MIJ!
Filmpje: Killing In The Name Of van Rage Against The Machine
Petra:
STERKTE!
Filmpje: Onze Jan Is Manager Geworden van Joop Visser en Jessica van Noord
Petra:
Weval is OK
‘Boks!’ roept Ruth opgetogen, terwijl ze Mark begroet.
Ze geven elkaar een boks.
Petra komt er ook aanlopen. Ze blijkt in dezelfde tram te hebben gezeten als Ruth.
‘Whazzup!’ roept ze blij, terwijl ze haar peukje wegschiet. ‘Dat was alweer veel te lang geleden! Alles goed met jullie?’
‘Druk’, zegt Ruth. ‘Drukdrukdrukdrukdruk.’
‘Met mij niet zo goed’, zegt Mark, ‘maar dat vertel ik zo wel.’
‘Bij ons is er nog altijd niks veranderd’, zucht Petra.
‘Solliciteer je dan nog wel?’ vraagt Mark.
‘Komt er niet van.’
Ze lopen van de tramhalte naar Paradiso. Er is maar een korte rij en ze kunnen snel naar binnen.
‘We kunnen ook lekker daar gaan zitten’, wijst Mark. ‘Ik voel mijn onderrug namelijk.’
Ruth en Petra vinden het geen gekke suggestie. Ook hun lichamen zijn niet meer wat ze geweest zijn.
‘Aaaah’, doet Mark terwijl hij neerzijgt.
‘Poeh! Hèhè!’ vallen de anderen hem bij.
‘Vertel eens’, vraagt Ruth, ‘wat bedoelde je nou net?’
‘Nou ja, ik heb het nou echt wel gehad met mijn manager. Ik wil binnenkort weer een overstap maken.’
‘Dat ben je al een tijd al van plan, toch?’
‘Ja, ik wou dit maar een paar jaar doen. Had ik ook meteen tegen hem gezegd. Laatst ging-ie er ineens weer een beetje naar hengelen. Ik heb nu een bedrijf op de korrel, Ignite, maar dat heb ik niet tegen hem gezegd. Maar die klojo heeft dus tegen iemand van Ignite lopen vertellen dat hij nog wel iemand voor ze had. Hij heeft zelfs al over mijn salaris lopen onderhandelen met die knakker. Hoe hoger mijn salaris, hoe hoger zijn aanbrengpremie natuurlijk. Ik zei, als het zo moet dan ga ik helemaal niet meer weg! Intussen heeft hij al met poppetjes geschoven, zoals hij dat noemt, dus nu zit ik de hele dag uit m’n neus te vreten. En al mijn collega’s zijn juist hartstikke druk. Ik zing het wel uit hoor, ik oefen gewoon de hele dag op mijn toneelrol. Maar ik zit nu dus wel vast.’
‘Wat een eikel!’ roept Petra. ‘Nou ja, over een tijdje stuur je alsnog je sollicitatie en dan ben je weg. In de tussentijd moet je de kantjes er maar flink aflopen.’
‘Het is wel zwaar hoor, om niks te doen te hebben op je werk. Dat heb ik ook meegemaakt, natuurlijk.’
Weval begint te spelen.
Ze zijn steengoed.
Na afloop van het concert slenteren ze terug naar het station en nemen ze hartelijk afscheid.
‘Snel weer hè?’
‘Ja, snel weer!’

Op een ochtend neemt Arnold Peter en Ruth apart en vertelt hen: ‘We gaan er binnenkort iemand bij krijgen. Een kanjer. We mogen in onze handjes knijpen dat we haar binnen hebben kunnen halen. Ze studeert binnenkort af in de logistiek. High potential. Zullen we veel aan hebben.’
Een paar maanden later is het zover en treedt Carry toe tot Ruths team. Ze loopt rond en vraagt veel. Ze ontdekt dat niet iedereen de gereedschappen heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Ze deelt informatie die op een bepaalde plek in het bedrijf aanwezig is met andere afdelingen. Ze gaat voortvarend aan de slag en maakt allerlei analyses over de process flows. Ze wijst op tekortkomingen in de procedures en legt uit wat er verbeterd kan worden.
Ruth is in haar nopjes met haar nieuwe collega. Het is een slimme meid en ook een leuk, open persoon. Haar chef Arnold lijkt minder blij dan een tijdje geleden. Hij vindt haar een eigenwijze trien, zegt hij, terwijl hij een vies gezicht trekt.
Op een dag gaat ze met Carry lunchwandelen.
‘Is het jou wel eens opgevallen’, vraagt Carry, ‘dat mensen een bepaalde ruimte innemen? Soms claimen ze een bepaalde taak, en o wee als jij het dan waagt om ook belangstelling te tonen voor die taak, of kritiek te uiten op hoe zij hem uitvoeren. Dan reageren ze daar heel fel op, want dat raakt aan hun bestaansrecht op het werk.’
‘Je doet supervaag’, antwoordt Ruth, ‘maar volgens mij begrijp ik wel wat je bedoelt. Nu jij er bent, zie ik pas goed welke steken Arnold allemaal heeft laten vallen. Jij doet wat hij al veel eerder had moeten doen.’
Carry grimlacht.
‘Fijn dat jij het ook ziet.’
Die avond werkt ze nog wat langer door. Ineens staat een verslagen Carry aan haar bureau.
‘Ik moet gaan’, zegt ze.
‘Ja, fijne avond hè.’
‘Nee, ik moet weg. Ze willen me hier niet houden. Mijn contract wordt niet verlengd. Ik ben op teveel tenen gaan staan, denk ik. Ik voelde het al aankomen.’
Ruth niet. Ze valt zichzelf tegen. Dit is met haarzelf ook gebeurd, hoe kon ze het dan niet zien bij Carry?
Als onrechtvaardigheid me niet persoonlijk raakt, zie ik die kennelijk toch minder scherp dan ik dacht…

‘Kom je mee, Ruth?’
Het is weer tijd voor haar jaarlijkse beoordeling.
Arnold leidt haar de kamer van Kees-Jan in, zijn chef. Vanachter de grote directietafel knikt die afgemeten naar haar.
Kennelijk is hij ook bij dit gesprek.
Arnold schuift een stoel naar achteren en gebaart haar te gaan zitten. Ze hebben ook alvast een glaasje water voor haar neergezet.
Dat belooft niet veel goeds.
‘Ik zal het je meteen maar vertellen’, zegt Arnold. ‘We twijfelen of we je voor vast zullen gaan aannemen. Liever hadden we het nog eens een jaartje willen aankijken met je, maar ja, dat mag niet van de wet.’
Kalm blijven nu. Adem diep in. Doe alsof het je niks kan schelen. Spuug ze in de bek.
‘Tussen Hetty en jou ging het nogal stroef hè’, begint Kees-Jan. ‘Klopt, maar ik ben niet de enige die moeite met haar had. En het ging op het laatst al een stuk beter dan in het begin.
Hetty gaf aan dat je dingen niet zo snel oppikt’, gaat Kees-Jan verder. ‘En als ik Bill Nelson vraag waarom dat BI-project steeds vertraging oploopt, wijst hij ook naar jou.’
Snel denken nu.
De mensen die zo tevreden over haar zijn, spreken Arnold en Willem-Jan nauwelijks. De mensen naar wie zíj hun voelsprieten uitslaan zitten in de laag erboven. Met die mensen werkt ze nooit samen, ze slaat alleen af en toe een praatje met ze. Ruth gaat niet in op de opmerkingen van Kees-Jan. Ze vertikt het om kwaad te spreken over Hetty en Bill, al hebben zij dat wel over haar gedaan. Al zit ze in nog zo’n benarde positie, ze voert dit gevecht op haar eigen manier.
‘Ik heb in het afgelopen jaar tweehonderd tickets weggewerkt’, zegt ze trefzeker.
Arnold kijkt verbaasd.
‘Echt? Ik dacht een stuk of honderd.’
‘En ik heb Carry ingewerkt. In het BI-project heb ik alle Finance-rapportages gebouwd. En ik heb Hetty’s rapporten getest en een aantal belangrijke fouten ontdekt. Dankzij mij kloppen de cijfers nu. Willem is tevreden over me, Frenk, Eddy, Harry, William, Bram en Freek…’
Ze somt al haar key users op. Arnold en Kees-Jan wisselen een blik uit van: Hmm, daar hadden we nog niet aan gedacht.
Ze vecht als een leeuw. Ze wil hier blijven. Ze is zo scherp als ze nog nooit eerder was.
‘Je komt chaotisch over’, zegt Arnold. ‘Al die tabjes die je open hebt staan, al die papiertjes waarop je schrijft, ik snap niet dat je geen dingen kwijtraakt.’
‘Kom ik ooit een afspraak niet na? Kan ik ooit iets niet terugvinden?’
Arnold denkt na.
‘Nee’, geeft hij toe. ‘Maar je maakt een slordige indruk.’
‘Ik wist niet dat je je daar zo aan stoorde. Daar kan ik op gaan letten. Als ik nou ook een laptop krijg, net als jij, dan hoef ik ook niet zoveel op papier te zetten.’
‘Hmm’, doet Arnold.
‘Ik geloof echt wel dat het erin zit bij jou, dat maakt het zo ingewikkeld’, zegt Kees-Jan.
Arnold zegt: ‘Ik was aan het begin van het gesprek wat negatiever, mag je best weten, maar nu kijk ik er positiever tegenaan. We gaan in beraad en na je vakantie laten we je weten of je contract verlengd wordt.’
Na het gesprek beent ze haastig weg. Ze wil naar huis. Zo snel mogelijk.

‘Stoffel, heet ik. Eigenlijk Christoffel.’
‘Ruth.’
Ze snapt eigenlijk zelf niet zo goed waarom ze nu een praatje aanknoopt met de dakloze man die op station Den Bosch naast haar uit de vuilnisbak aan het eten is. Het gebeurt gewoon. Ze loopt met haar ziel onder haar arm en Stoffel is daar. Hij kijkt haar niet aan, maar gooit wel meteen zijn hele levensverhaal eruit terwijl hij aan het foerageren is.
‘Heb nooit een baan kunnen houden’, zegt hij. ‘Ik ben te kwaad. Dat voelen mensen, dat vinden ze te moeilijk. Ben op mijn dertiende al uit huis gegaan. Mijn vader was niet zo’n lieverdje. Ik kon hem niet meer serieus nemen. Niet meer naar hem luisteren. Nu leef ik al dertig jaar op straat. Ik ben veels te eigengereid. Ik kan niet werken voor een baas.’
‘Ja, dat herken ik wel. Ik heb ook zo’n vader. Hij roept altijd dat ik niks waard ben. Dat ik er beter niet had kunnen zijn. En ik heb ook altijd problemen met bazen. Mijn jaarcontract is bijna om en nou willen ze me hier ook weer wegdoen. En dan moet ik bewijzen dat ik wél de moeite waard ben. Ik heb ook mijn trots, hè. Ik ben moegestreden. Ik wil dit niet meer.’
‘Ja maar jij zit in het systeem, meissie. Jij heb het makkelijk. Besef je dat wel?’ Hij kijkt haar indringend aan. Wat donkerbruin vocht drupt uit zijn baard terug de vuilnisbak in.
Beschaamd realiseert ze zich hoe goed ze het heeft.
‘Je hebt gelijk’, zegt ze. ‘Ik heb niks te klagen. Ik wil die baan heel graag, maar ik ben er niet afhankelijk van. Jij hebt het veel zwaarder.’
‘Hier’, overhandigt ze hem vijftig euro, ‘volgens mij kun je dit wel gebruiken.’
‘Dank je!’ zegt hij ingehouden blij.
Ze vervolgt haar weg naar huis en wuift nog even achterom. ‘Succes! Ik hoop dat het je goed gaat!’
‘Ja, tabee hè’, roept Stoffel.
Wat heb ik eigenlijk geluk met dat rare mooie vak van mij. Als ik ergens vastloop, kan ik zo weer een nieuwe baan nemen. Dat is een grote luxe. Wat heb ik toch een hoop mee. Ik kan iets dat niet veel mensen kunnen en ik vind het nog hartstikke leuk ook.
Die avond denkt ze veel na. Over dankbaarheid. Over verandering die in de lucht hangt.
Tectonische platen die aan het schuiven zijn.

‘Môgge’, groet Arnold. ‘Beetje bekomen van de schrik?’
‘Het viel me nogal rauw op mijn dak, eerlijk gezegd. Ik heb zo hard gewerkt, en de key users zijn tevreden over me.’
‘Ik snap dat je het zo ziet’, zegt Arnold. ‘Weet je wat het is, je bent niet erg outgoing, en je moet er ook voor waken niet te veel in details te blijven hangen.’
‘Je hebt zowel introverte als extraverte mensen nodig’, voert ze aan. ‘En met alleen mensen die de grote lijnen uitzetten, win je de oorlog ook niet.’
‘Je lijkt niet heel productief te zijn’, gaat Arnold stoïcijns door.
‘Ik heb anders twee keer zoveel tickets weggewerkt als Peter en Hetty’, voert ze aan. ‘En naast de aanpassingen die ik moet doen, pak ik vaak nog kleine verbeterpunten mee, zodat er in de toekomst minder onderhoud nodig is.’
Arnold knikt. Ja, dat is agile.
Het kost haar moeite, maar ze verbergt haar gekwetstheid.
Teflon. Ik ben van teflon. Ik wil niet dat het me raakt. Ik wil niet dat hij ziet dat het me raakt. Ik moet vechten.
‘We zijn ons nog aan het beraden over je positie.’
Ze schrikt.
‘Eerlijk gezegd ben ik af en toe een beetje bang van je’, zegt Arnold. ‘Je straalt soms zoveel woede uit. Als je zo tegenover iemand zit, met die houding, wat denk je dat dat met iemand doet? Ben je boos op mij?’
Dit kan niet. Hij mag niet zo persoonlijk worden. Ik kan hem mijn zwakke kanten niet laten zien. Ik ben afhankelijk van hem.
‘Ik wist niet dat ik zo overkwam’, stamelt ze. ‘Dat is niet de bedoeling. Ik zeg het vaak niet als ik het ergens mee oneens ben. Ik ben niet goed in conflicten. Dat heb ik nooit geleerd.’
‘Ja, dat zie ik, dat je dat niet kunt.’ Hij leunt naar achter.
Ze kijkt hem indringend aan. ‘Kun je je voorstellen hoe het voor mij is? Ik zit al zeven jaar in flexbanen. Ik moet telkens vechten voor mijn plek. De ene chef ontslaat me ineens, de ander laat me eerst nog een tijd bungelen. Snap je hoe vernederend dat is? Hoe ik daarvan in een kramp schiet? Ik heb in Brabant gewerkt. In Gelderland. In Noord-Holland. Ik ben op begrafenissen van collega’s geweest en op bruiloften. Joh Ruth, schrijf jij het huwelijksalfabet, dat kun jij goed. Ja hoor, doe ik wel. Ik zing het ook nog. Dan hoor ik er helemaal bij. Drie maanden later word ik ontvriend op LinkedIn. Ik ben die klapstoel die je er makkelijk kunt bijzetten, maar die geen ruimte inneemt als-ie niet nodig is. Dat wil ik niet meer. Ik presteer goed en ik wil deze baan. Ik voel me hier thuis en wil heel graag blijven. Zo, dat wou ik even gezegd hebben’, besluit ze en dan beent ze de kamer uit.
Verbluft kijkt hij haar na.
De rest van de dag staat ze zo strak als een veer. Ze glimlacht veel, maakt grapjes met collega’s, voelt ogen in haar rug.
‘s Avonds is er een bedrijfsuitje. Kees-Jan zit naast haar. Ze is zich er hyperbewust van hoe ze overkomt. Ze kletst en lacht de hele tijd gezellig mee met iedereen. Laat net iets te nadrukkelijk de namen vallen van echtgenotes en kinderen.
Ik luister liever dan dat ik praat, maar ik moet hem laten zien dat ik outgoing genoeg ben. Ik ken ze allemaal zo goed. Weet wiens dochter overleden is. Wie een affaire heeft met wie. Maar ze kunnen zo weer uit mijn leven verdwijnen.
Thuis is ze te rusteloos om te gaan zitten. Ze ijsbeert driftig door haar kamer.
Ze slaapt slecht. ’s Ochtends vindt ze plukken haar op haar hoofdkussen. Met wat mousse boetseert ze haar kuif evengoed tot grote hoogten.
Door maar weer.

Petra:
En?
Ruth:
Ik weet het nog niet! Ze gaan het besluit over mijn vakantie heen tillen. Niet fijn. Wordt vervolgd.
Mark:
SHIT! Balen man!
Petra:
En? Weet je het nu eindelijk?
Mark:
Ja, hoe is het nou gelopen Ruth, vertel!
Ruth:
Ik weet nog steeds niks.
Rotvakantie gehad. Slecht geslapen.
Er is nu alweer bijna een week voorbij en mijn chef heeft het er helemaal niet meer over gehad.
Ik heb nog een paar vaste “klantjes” gepolst van wie ik wist dat ze tevreden over me waren, en die vertelden dat hen niks gevraagd is over mij. Dat dacht ik al.
Ruth:
Nou, het is gelukt, ik mag blijven! Ze gaan de gok met me wagen. Beledigend, neerbuigend, maar al met al: hoera!
Ik heb er wel héél hard voor moeten knokken.
Ze hebben me dus doodleuk vier weken in onzekerheid gelaten.
Gisteren brak ik op het werk. Ik trok het niet meer.
‘Ik dacht het vorige week al aan je te zien’, zei mijn chef.
Had dan wat gezegd, lul! Maar nee, hij liet me gewoon in spanning afwachten en ik moest zelf om informatie schooien. Hij zei dat ze nog aan het nadenken waren. Toen brak bij mij helemaal de paniek uit. Gisteren onderweg naar huis nog bijna tegen een auto aangereden.
Vanochtend ben ik apart gaan zitten met iemand van HR. Ik werd weer emotioneel. Ze schrok van hoe het gegaan was en dat ze me zo’n bericht hadden gegeven de dag voor mijn vakantie. Ze ging ermee aan de slag, zei ze. En vanmiddag had ik ineens het gesprek over mijn contract. Ik heb gevraagd of die dame van HR erbij kon komen zitten en dat mocht. Ze hadden besloten om me toch aan te nemen. De chef van mijn chef zei dat hij uiteindelijk over de streep was getrokken door mijn intrinsieke motivatie. Ze hebben dus toch gezien dat ik een uur per dag heb overgewerkt. Maar ik moest wel aan mezelf gaan werken, en dan met name aan mijn communicatie. Mijn chef had een goed woordje voor me gedaan en gezegd dat ik latent talent had!
Wettelijk hadden ze nog drie weken mogen wachten, lieten ze me nog fijntjes weten, maar omdat ze vreesden dat ik dan in de tussenliggende periode niet gemotiveerd zou zijn om mijn werk te doen, kreeg ik toch nu vast de beslissing te horen.
Ik heb het allemaal maar aangehoord en op de juiste momenten geglimlacht en geknikt.
Eindelijk. Weer een vaste baan!
Petra:
Oh, wat goed! Gefeliciteerd!
Mark:
Woop woop! Gefeliciteerd Ruth! Dit gaan we vieren!
Ruth:
Ja! Willen jullie een keer bij mij thuis komen? Ga ik koken.
Petra:
Wat? Ik weet niet wat ik meemaak! Ja hoor, we komen! Aankomende zaterdag?
Ruth:
Ja!
Gisteren vertelde ik het trouwens aan mijn collega’s en toen zei een nieuwe jongen dat hij meteen al een vast contract had gekregen. Ze hadden hem ook een flexcontract aangeboden, maar hij had dat gewoon geweigerd. En ik maar stressen!

Over twee dagen komen Mark en Petra al, schrikt Ruth. Jemig, wat ziet mijn huis eruit. Is er nog tijd om de zaak te redden? Het afgescheurde rolgordijn moet ik vervangen, de plintjes vastmaken. Nieuw dekbed kopen. Rommel naar de kringloop brengen.
Ze begint haar boekenkast uit te mesten, maar voor ze het goed en wel in de gaten heeft is ze al verzonken in een van haar boeken. Na twee uur slaat ze het met een klap dicht.
O ja, schoonmaken.
Ze begint de vloer te boenen. Nu ze er zo met haar neus bovenop zit ontdekt ze nog allerlei verfspatjes. Met haar nagel peutert ze ze geconcentreerd van het hout. Na een half uur heeft ze pas twee planken schoon.
Microfocus. Het lukt me niet. Ik ben niet in de wieg gelegd voor het huishouden. Het is te overweldigend voor mij. Ik kan beter morgen pas beginnen, dan heb ik maar één rotdag in plaats van twee.
Ze leest nog een boek, maar ze geniet niet echt van de vrije tijd die ze zichzelf gegeven heeft.
De volgende dag treuzelt ze met opstaan. Ze doet de boodschappen en bereidt het eten voor, ruimt nog wat op, vindt het dan tijd voor een dutje. De wekker zet ze twee uur voor het bezoek komt. Dan: hyperfocus. Ze maait alle kleren van de vloer en bank en schift snel: dit in de wasmand, dat in de kast. Ze rolt het kapotte rolgordijntje helemaal omhoog. Legt de losse plintjes strak tegen de muur aan.
Zo hee, het lijkt ineens wel een normaal huis.
Ruth raast de woonkamer door, maakt de vloer verder leeg en negeert het aantrekkelijke tijdschrift dat ze daarbij vindt. Kranten, grote stofbollen, onaffe projectjes, alles gooit ze weg. Ze vervangt de stofzuigerzak.
Oeh, best een pittige odeur, schrikt ze. Stom, dit had ik niet binnen moeten doen.
Stofzuigen. Dweilen. Ramen zemen.
Haar telefoon gaat.
‘We zijn net uitgestapt!’ gilt Petra.
‘Ah’, lacht ze zenuwachtig, ‘wat zijn jullie lekker vroeg! Ik loop jullie wel tegemoet, zie je zo bij de bushalte.’
Ze kijkt kritisch om zich heen. Alleen de deurklink krijgt nog een veeg. Ze mikt haar stofzuiger, twee vuilniszakken en een emmer met intussen inktzwart dweilwater in haar rommelkamertje, steekt nog even haar kop onder de kraan, frist zich op en loopt naar de bushalte.
Mark en Petra lopen al naar haar toe.
‘Goh, dat we dat nog mogen meemaken’, grijnst Petra. ‘Bij jou op bezoek!’
‘Je vindt het wel leuk toch, dat we komen?’ vraagt Mark.
‘Ja, dat mocht wel eens een keer, ik ben al zo vaak bij jullie thuis geweest.’
Nerveus dribbelt ze voor hen uit naar haar huis.
‘Welkom!’ opent ze met een royale zwaai haar voordeur. ‘Hier woon ik nu.’
‘Hee, wat zit er achter deze deur?’ zegt Petra. Ze heeft de klink al in haar handen.
‘Niks!’ roept Ruth nerveus. ‘Dat is mijn rommelkamertje. En hier hoeven we ook niet te zijn’, zegt ze gehaast, terwijl ze de keukendeur dichtduwt. ‘Ik kom het eten zo wel brengen. Dit is mijn woonkamer’, dirigeert ze hen snel de gang door. Als ze de deur opent schrikt ze. Ze is met haar dweil in grote halen over de vloer gegaan, maar ziet nu nog een heel stuk dat ze vergeten is. Het vuil steekt nu extra goed af tegen het schone stuk. Met haar voet veegt ze snel nog wat donker stof onder de bank. Mark ziet het haar doen en lacht verwonderd.
‘Je bent nogal huishoudelijk uitgedaagd, hè?’
Petra kijkt stil om zich heen.
‘Nou ja, wat schoon moet zijn is schoon’, zegt ze tenslotte.
Ze leunt tegen een kastje, maar dat staat op losse pootjes. Met veel kabaal dondert het om.
‘Dat gaat hier niet’, zegt Ruth.
Snel stapelt ze de constructie weer netjes op elkaar.
‘Ik zal verder dan maar niks meer aanraken’, zegt Petra geschrokken.
‘Jawel. Kom, ga lekker aan tafel. Wat willen jullie drinken?’
Ze willen allebei iets fris.
‘Creatief hoor, die beplakte tafel’, zegt Petra. ‘En die lamp, is dat een vergiet?’
‘Ja, zelf gemaakt’, knikt Ruth.
‘Ik wist helemaal niet dat je dat kon!’ roept Mark uit.
‘Is niet zo moeilijk hoor’, mompelt ze. ‘Maar ik hoor de oven piepen, ik haal even het eten.’
‘Preitaart, daar ben ik gek op!’ roept Petra als ze weer binnenkomt.
‘Met salade. Hij is wel een beetje zompig, hoor.’
‘Lekker’, zegt Mark. ‘Je zorgt goed voor ons!’
Na het eten sleept ze bladen met thee en lekkers af en aan. Petra gooit op een gegeven moment de handdoek in de ring, maar Mark blijft lekker doorsnoepen. Ze dissen oude anekdotes op en hebben daarbij aan een half woord genoeg.
‘Weet je nog, toen met Arno?’
‘O ja! En Johan!’
‘Hahaha! Tanja!’
‘Woehoehoe!’
Na een lange avond nemen ze afscheid bij de voordeur.
‘Was gezellig’, zegt Mark.
‘Ja!’ zegt Petra. ‘Leuk dat we jouw huis nou ook eens gezien hebben. Ik moest er wel even aan wennen, hoor.’
‘Zo ben ik’, zegt Ruth. ‘Niks aan te doen.’
Voor het eerst zegt ze geen sorry.

Geert van Sales staat bij de ingang van de bedrijfskantine. Hij houdt een takje mistletoe boven zijn hoofd. Hoewel ze intussen te oud is om nog een doelwit te zijn voor mannen als hij, doet ze toch routineus een stapje opzij.
Er zijn al aardig wat mensen. Ingehuurde cateraars lopen met bladen drank door de zaal. Ze loopt naar de kantinedames toe, die zich aan een statafel in het midden van de zaal gepositioneerd hebben. Bij hen is het gezellig. Ze genieten er zichtbaar van dat zij nu ook eens lekker bediend worden. De receptionistes komen erbij staan; hun werkdag zit er ook op. De weinige andere vrouwen die bij Sterling werken sluiten zich aan bij het clubje. Ah, daar komt Geert aangelopen. Daar kon je op wachten, die moet hier ook wezen natuurlijk.
Aan alle omringende tafels ziet ze alleen maar testosteron. Bonkige kerels die uitgelaten naar elkaar roepen en lachen. Het vertedert haar.
Chris Rea schalt door de ruimte. Een enkeling schudt voorzichtig met de heupen.
Leuk, om iedereen zo bij elkaar te zien. Met deze collega’s ga ik het de komende jaren dus rooien. Hopelijk tot aan mijn pensioen.
De drank maakt haar een beetje emotioneel.
Prachtige mensen. Fijne mensen. Hier blijf ik. Dit is mijn nieuwe thuis.













Geef een reactie